Mens en mug

Oktober is de maand waarin de vogeltrek zijn hoogtepunt bereikt en 't is jammer dat men niet altijd in de gelegenheid is het indrukwekkende fenomeen van dichtbij gade te slaan. Gelukkig treden ook in de beschutting van het eigen huis trekverschijnselen op die de moeite waard zijn en die zich zonder veel rompslomp laten bestuderen.

De overwintering van de mug Culiseta annulata is weer begonnen. De afgelopen weken trok zij de warme woning binnen om daar tussen gordijnplooien en beddegoed het voorjaar af te wachten. Met het ferme voornemen zich de gehele winter te laven aan het bloed van haar huisgenoten: honden, katten en mensen. Want een overwinterende annulata steekt de hele winter door.

Zo zeldzaam zijn muggenplagen in Nederland geworden, en zo schaars waren deze kille zomer de kansen om muggen in hun natuurlijk milieu te ontmoeten, dat het voor velen de herfsttrek zal zijn die de eerste confrontatie met de diertjes oplevert. Veldwerk vanuit bed! En direct al intrigerende waarnemingen. Opvallend is dat de zojuist gearriveerde overwinteraars niet op de lamp afvliegen zoals nachtvlinders en langpootmuggen maar dat zij een duidelijke voorkeur bezitten voor de donkere hoeken in huis. Terwijl toch altijd beweerd wordt dat muggen op het licht afkomen, dat men op warme zomeravonden nooit het slaapkamerraam moet openen zolang het licht nog brandt.

Een goede aanleiding om contact op te nemen met de groep die in Nederland het nauwst bij muggenonderzoek betrokken is: de vakgroep entomologie van de Landbouwuniversiteit Wageningen. De malaria-kwestie brengt haar nogal eens in het buitenland, maar vorige week was ze even thuis. Binnen een uur waren alle muggesprookjes de wereld uit.

Om te beginnen, zegt dr.ir. W. Takken die nu weer weg is, is het helemaal niet waar dat muggen op licht afkomen. Ze komen op warmte af en trekken dus net zo makkelijk de geopende warme slaapkamer binnen als het licht daar uit blijft. Wel is het zo dat licht het gedrag beïnvloedt en dat een eenmaal betreden lichtcirkel niet makkelijk meer verlaten wordt.

De mug die eind september het huis binnentrekt heeft het inderdaad op de mens en zijn medezoogdieren voorzien. Er komen in Nederland zo'n twintig muggesoorten voor, maar het merendeel daarvan is in zijn gastheerkeuze juist streng ornithofiel en voor de bloedmaaltijd geheel op vogels aangewezen. Ook de soort Culex pipiens, lange tijd door bijna iedereen als een plaag beschouwd, bleek bij nader binnenshuis alleen een bedreiging voor de papegaai. Jammer genoeg zijn de ornithofiele muggen niet makkelijk van de andere muggen te onderscheiden. De mug-verontruste heeft meer steun aan het gegeven dat mannetjesmuggen nooit bloed zuigen (de bloedmaaltijd staat ten dienste van de eiproduktie) en dat de mannetjes zijn te herkennen aan de sterk behaarde antennen. Met wat oefening zijn die naast de drievoudige monddelen te vinden. Ook mannetjesmuggen komen dezer dagen wel de woning binnen, maar dat is meer toeval dan tactiek en in ieder geval overleven ze de winter niet. Ze leven gewoonlijk maar een à twee weken, terwijl vrouwtjes 's zomers wel zes weken halen.

Ook de muggenzwermen die 's zomers tegen de schemering ontstaan bestaan voornamelijk uit mannetjes die zich als zwerm beter vindbaar maken voor de vrouwtjes. De vrouwtjes die van tijd tot tijd voor de paring zo'n zwerm induiken worden vooral op het gehoor gevonden - het vrouwelijk vleugelgezoem is kennelijk onweerstaanbaar. Let wel: de mannetjes vinden de vrouwtjes op het gehoor en niet andersom. Er is dus, zegt Takken, geen enkele bescherming te verwachten van Hongkong-elektronica die het gezoem van de vrouwtjes nabootst.

Bloedzoekende vrouwtjes vinden hun gastheer in eerste instantie op de geur. Wat daarin de voornaamste signaalstoffen zijn is nog onbekend, zeker is dat kooldioxyde en melkzuur een rol spelen. Is de gastheer-in-spe getraceerd en voldoende benaderd dan helpen gradiënten in temperatuur en vochtigheid de juiste bloedleverende lichaamsdelen te vinden. Maar op een afstand van meer dan een halve meter is menselijke lichaamswarmte voor de mug al niet meer te signaleren.

Beweringen over een speciale voorkeur voor mannen of juist vrouwen hebben geen grond. Wel wordt aangenomen dat sommige mensen (ongeacht het geslacht) aantrekkelijker zijn dan andere en dat er een invloed is van het hormonale evenwicht en het dieet. Volwassenen worden eerder gestoken dan kinderen. Het feit dat kinderen, door hun nog onvolmaakte immuunsysteem, vaak grote muggebulten ontwikkelen heeft velen tot een averechtse conclusie verleid.

Voor elk ei-pakket (van ongeveer 50 stuks) dat Culiseta annulata hoopt te produceren is minstens één krachtige bloedmaaltijd nodig. Maar zelden wordt de mug de rust gegund om die maaltijd in één keer naar binnen te werken en vaak moet zij dus, halfverzadigd, opnieuw op bloed uit. Het nieuwe slachoffer kiest zij tamelijk lukraak tussen alle voorhanden zijnde zoogdieren en zo raakt zij makkelijk van de ene gastheer op de andere, zelfs van mens op hond of omgekeerd. Maar dat de muggebult dus wel eens een allergische reactie op soortsvreemd bloed kan zijn - AW-idee - ontkent Takken. De mug brengt bij het steken niet méér bij de gastheer naar binnen dan wat van haar eigen speeksel. De gastheer reageert op de anti-stollingsfactoren daarin.

Bevinden zich in het muggespeeksel voldoende eencelligen van het geslacht Plasmodium dan kan de gastheer vroeg of laat malaria ontwikkelen. Tot in de jaren vijftig kwam ook in West- en Noordwest-Nederland een autochtone malariavorm voor, maar een door de WHO geleide campagne waarin malarialijders en besmette muggen werden opgespoord en genezen of vernietigd, heeft aan de "Zaanse koorts' een eind gemaakt. De in dit opzicht beruchtste muggesoort, Anopheles atroparvus, is nu "clean' en bovendien sterk in aantal afgenomen, zoals het geval is met de meeste muggesoorten in Nederland. Daarin heeft niet, zoals veel wordt beweerd, de verzoeting van de Zuiderzee en de daaropvolgende verzoeting van het oppervlaktewater in Noord-Holland de doorslag gegeven, maar het overvloedig gebruik van synthetische (niet-afbreekbare) wasmiddelen in de jaren vijftig. De latere belasting van het oppervlaktewater met fosfaten en dergelijke maakte het karwei af.

Het is de bedoeling dat de lezer zich, op dit punt aangeland, afvraagt hoe al in zo'n vroeg stadium (1987) beweerd kon worden dat muggen geen rol spelen in de overdracht van HIV. Er is de forse bloedmaaltijd, er is de wisseling van gastheer en er is het gegeven dat muggen zoveel andere ziekten overdragen dan malaria, zoals gele koorts, filaria en dengue. Waarom dan geen HIV? Het antwoord is eenvoudig: voor allle ziekten die door muggen worden overgedragen geldt dat de ziekteverwekkers ook een vermeerderingscyclus in de mug bezitten en in grote hoeveelheden in het muggespeeksel terecht komen. Bij HIV is dat niet zo.