Krijgsmacht schiet medisch tekort

RILLAND, 21 OKT. De keuring en de medische begeleiding van VN-militairen moet drastisch worden gewijzigd. De regels zijn onsamenhangend, er zijn veel communicatiestoornissen, er is geen inzicht in de medische situatie in inzetgebieden. Mede daardoor is de keuring van personeel dat in aanmerking komt voor VN-taken gebaseerd op een verouderde algemene dienstaanwijzing.

Kapitein-arts J. Hoevers en majoor G. Wondergem, beiden betrokken bij de uitzending van VN-militairen, vinden dat er veel moet veranderen. Zij noemen reeksen van tekortkomingen waardoor de uit te zenden militairen worden benadeeld, zowel voor, tijdens als na het verrichten van de VN-taak. Simpele zaken, zoals vragen naar ervaringen aan artsen die terugkeren uit inzetgebieden, blijven achterwege. Disciplines werken langs elkaar heen door het ontbreken van een overkoepelend medisch "zorgcircuit' waarin wordt samengewerkt.

Die laatste tekortkoming moet volgens Wondergem en Hoevers geweten worden aan "kinnesinne op persoonlijke titel' tussen de Inspecteur Geneeskundige Dienst Koninklijke Landmacht, de Afdeling Individuele Hulpverlening en de Maatschappelijke Dienst van het ministerie van Defensie. “Omdat er geen inzicht is over de situatie in de inzetgebieden, weet de onderdeelsarts niet wat de gevolgen kunnen zijn van een uitzending in VN-verband”, stelt Hoevers. Wondergem was van juli 1992 tot februari 1993 VN-waarnemer in het voormalig Joegoslavië en is nu werkzaam bij het centrum voor vredesoperaties. Hoevers was in 1992 als bataljonarts betrokken bij de reorganisatie van het 13e pantserinfanterie bataljon tot luchtmobiele eenheid. Daarna participeerde zij in de voorbereidingen voor uitzending naar het voormalige Joegoslavië van het Nederlandse transportbataljon en bij de eerste opzet van de thuisfrontbegeleiding.

In een brief aan de Nederlandse officierenvereniging van 11 oktober wezen Wondergem en Hoevers er onder meer op dat veel militairen niet naar de onderdeelsarts gaan met klachten omdat het medisch beroepsgeheim in de krijgsmacht niet wordt gegarandeerd. De officierenvereniging heeft zich volgens secretaris majoor R. Bloemkolk achter het duo opgesteld.

Dat de onderdeelsarts de taken van huis-, bedrijfs- en verzekeringsarts in zich verenigt, is volgens Wondergem en Hoevers onwerkbaar. Hoevers: “Voor het stellen van een diagnose moet een arts open kunnen praten met de patiënt. Dat is moeilijk als de curatief werkzame arts, dus vertrouwensarts, de patiënt ook moet keuren voor VN-uitzending. Vertrouwelijke informatie over alcohol- en drugsgebruik krijgt in de keuringssituatie een andere lading. Wondergem: “Vergeet bijvoorbeeld niet dat de VN-vredesmachten een heel ander beleid voeren ten aanzien van drugs dan we in Nederland gewend zijn.”

Volgens Hoevers heeft de keuringsuitslag meer dan vroeger consequenties voor de carrière van de militair. Een aantal beroepsmilitairen moet verdwijnen en volgens de bevelhebber van de landstrijdkrachten Couzy moet iedere beroepsmilitair geschikt zijn voor VN-taken.

Volgens het tweetal verdient ook de nazorg van militairen die terugkeren van VN-missies aandacht. Wondergem en Hoevers wijzen op de ervaring met de uitzending van Nederlanders naar Libanon, begin jaren tachtig. Ruim driehonderd militairen uit die groep doen nog steeds een beroep op het behandelingscircuit van de Afdeling Individuele Hulpverlening (AIH) van de Landmacht.

Luitenant-Kolonel W. Martens van de AIH bevestigt dit getal en taxeert dat een zelfde aantal mensen uit de totale groep van 8000 een beroep doet op hulpverlening buiten de krijgsmacht. Tot op de dag van vandaag melden zich nog nieuwe gegadigden voor de hulpverlening. Volgens de psycholoog Martens gaat het in de meeste gevallen om "het niet goed verwerkt hebben' van traumatische ervaringen en/of "niet goed invoegen' in de maatschappij.

Hoevers stelt vast dat het "zorgtraject' zoals dat in 1982 ten behoeve van het Unifil-bataljon werd opgezet, niets heeft opgeleverd voor de langere termijn. “Toen de VN-taken in Cambodja en het voormalige Joegoslavië van de grond kwamen, moesten we helemaal opnieuw beginnen.” Volgens Martens is er sprake van een nieuwe aanpak omdat het ministerie van Defensie de nazorgcijfers na Libanon te hoog vond. “Voor dat de militair terugkeert naar eigen land, vindt een psychologische debriefing plaats”, aldus de psycholoog.

Na terugkeer van hun VN-taak worden, volgens Wondergem en Hoevers, de militairen 'uitgekeurd' waarna zij terugkeren naar hun onderdeel. Althans de beroeps-, dienstplichtigen verlaten kort daarna de dienst. Daarna wordt het aan het individu overgelaten of hij een beroep doet op zorgverlening. Wondergem: “Het gros laat dat wel uit het hoofd, gelet op de mogelijke consequenties voor de carriére.”

Hoevers blijft erbij dat de goede bedoelingen worden gedwarsboomd door de competentiestrijd van verschillende bij deze zaken betrokken krijgsmachtonderdelen. “Dat is volstrekt niet acceptabel als je éénmaal mensen hebt ontmoet die zijn teruggekeerd uit Sarajevo. Als er een deur hard wordt dichtgeslagen, zoeken ze dekking onder de tafel.”

    • Hidde van der Ploeg