Historisch socioloog houdt van complexe verklaringen voor schoolbezoek; Gedoemd om door te leren

Het pedagogisch regiem. Groei en grenzen van de geschoolde samenleving. Door Geert de Vries. Amsterdam, Meulenhoff, 1993. ISBN 90 290 4622 8. 228 blz. ƒ 34,50.

Een van de wetmatige ontwikkelingen van moderne samenlevingen is dat het opleidingsniveau van hun bevolkingen gestaag toeneemt. Economische crises, oorlogen en rampen blijken maar weinig afbreuk te doen aan deze trend: nieuwe generaties gaan gemiddeld langer naar school en behalen in doorsnee hogere diploma's dan hun voorgangers. Naar een verklaring voor de algemene onderwijsexpansie behoeft niet lang gezocht te worden. De meest voor de hand liggende reden is dat de leden van de samenleving zich er goed van bewust zijn dat er een sterke relatie bestaat tussen het behaalde opleidingsniveau en inkomen, beroepsniveau en andere schaarse goederen en dat zij er daarom verstandig aan doen een zo hoog mogelijk diploma te behalen.

Op dit punt begint echter verschil in inzicht. Volgens de menselijk kapitaal-theorie ontstaat de voordelige positie van hoger opgeleiden doordat hun opleiding hen produktiever maakt en werkgevers er het beste aan doen om voor een positie iemand te verkiezen met een kwalificatie die precies past bij een bepaald functieniveau. De voortdurende groei van het onderwijs komt volgens deze theorie voor rekening van het feit dat er op de arbeidsmarkt steeds meer hogere functies en steeds minder lagere functies worden aangeboden.

Deze theorie is echter op verschillende gronden onaannemelijk. Zo blijkt er maar een matige relatie te bestaan tussen wat iemand gedurende de opleiding precies geleerd heeft en diens feitelijke produktiviteit. Ook blijkt er nauwelijks relatie te bestaan tussen groeispurts in de landelijke opleidingsverdeling en de nationale produktiviteit.

Populairder is daarom de verklaring dat de relatie tussen opleiding en gunstige maatschappelijke positie ontstaat doordat onderwijsdiploma's iemand markeren als een "trainbaar' iemand: hoger opgeleiden hebben als voordeel boven lager opgeleiden dat ze gemakkelijker leren, het doet er niet toe wat. Werkgevers zijn niet geïnteresseerd in iemand met bepaalde kwalificaties, maar in iemand met betere kwalificaties dan een ander. Omdat werknemers volgens dit model in een lange rij staan overeenkomstig hun onderwijsniveau en werkgevers telkens de voorste van de rij in dienst nemen, noemt men dit ook wel de wachtrijtheorie van de arbeidsmarkt. De veronderstellingen van de wachtrijtheorie komen overeen met de ervaring dat iedereen bij het begin van een baan nog eens een kortere of langere leerperiode moet doormaken. Bovendien volgt eruit dat het onder alle omstandigheden de laagst opgeleiden zullen zijn die het gemakkelijkst werkloos worden. Ook verklaart het waarom het onderwijsniveau in feite sneller blijkt te stijgen dan functieniveaus dat noodzakelijk maken. In vergelijking met vroeger is de Nederlandse bevolking overschoold.

Verspilling

De wachtrijtheorie leidt wat betreft de onderwijsexpansie tot de conclusie dat de in onderwijs gedane investeringen grotendeels verspilling zijn: niet zozeer gedacht vanuit de individuele studerenden, maar vanuit de samenleving als geheel. Zodra lager opgeleiden zich inzetten om een hogere kwalificatie te verkrijgen, doen hoger opgeleiden dat ook en schuift de hele onderwijsverdeling een stukje omhoog. Aan het eind krijgen de hoger opgeleiden weer de beste banen, en de lager opgeleiden de slechtste of geen en is er eigenlijk niets veranderd. Wat individueel volstrekt rationeel is, leidt tot collectieve irrationaliteit. Lager opgeleiden zullen alleen profiteren van bijscholing, indien de groepen boven hen zich daarvan onthouden.

De Amsterdamse socioloog Geert de Vries maakt zich in zijn proefschrift Het pedagogisch regiem ernstig zorgen over het waarom en de gevolgen van de in Nederland optredend onderwijsexpansie. Hij vraagt zich allereerst af waarom mensen in hemelsnaam zo begerig zijn steeds langduriger in hun onderwijsniveau te investeren en veronderstelt in navolging van de beschavingstheorie van Norbert Elias en Abram de Swaan een "schooldwang', "schooldrang' en "progressieve figuratiedwang' om de onderwijsexpansie te verklaren. Dit trommelvuur van termen voegt echter weinig toe aan de eenvoudige verklaring dat men naar school gaat om er later beter van te worden. Op de ongewilde irrationele gevolgen van de onderwijsexpansie op collectief niveau gaat De Vries nauwelijks in. Toch is dit een groot maatschappelijk probleem. Als jongeren (en ouderen) gemiddeld langer onderwijs volgen, dragen ze niet bij tot de welvaartsgroei. De meer dan evenredig expanderende rekening hiervan krijgen we elk jaar met de onderwijsbegroting gepresenteerd.

De Vries onderzoekt vervolgens de veronderstelling dat de groei van het onderwijs zijn eigen slachtoffers creëert doordat leerlingen in toenemende mate via spijbelen en vroegtijdige schoolverlating het onderwijs de rug toekeren. De Vries' stellingname op dit punt is mij niet duidelijk geworden. Hij stelt dat de recente aandacht in onderzoek en beleid voor het spijbelen en vroegtijdige schoolverlating nogal overdreven is. Er zijn volgens De Vries geen aanwijzingen dat verzuim en vroegtijdige schoolverlating toegenomen zijn. Wat betreft het spijbelen zegt hij dat het hier veelal om een zeer beheerste vorm van protest gaat, waarin zowel leerlingen als schoolleiding hun grenzen zeer goed kennen. Als dit zo is, lijkt me dat geen reden om je druk te maken over de grenzen van de geschoolde samenleving. In hoeverre zijn indrukken juist zijn, staat overigens nog te bezien. De Vries beklaagt zich erover dat er met name over spijbelen weinig gegevens bekend zijn. Zijn eigen onderzoek, onder welgeteld tachtig scholieren, heeft daarin maar weinig verandering gebracht.

Afvalrace

Wat betreft een ander negatief gevolg van de onderwijsgroei zit De Vries er aanwijsbaar naast. Hij meent dat de onderwijsgroei ertoe leidt dat de ongelijkheid in onderwijskansen tussen onderwijsmilieus toeneemt. Zijn redenering is ontleend aan de Franse socioloog Boudon: als een afvalrace langer duurt, hebben degenen met de beste voorbereiding meer kans om te winnen dan wanneer ze korter duurt. Het model van Boudon is inmiddels zowel theoretisch als empirisch achterhaald. Onderwijsexpansie houdt weliswaar in dat individuele schoolloopbanen langer worden, maar het traject waarop de beslissingen vallen is daarom nog niet langer geworden. In het Nederlandse onderwijsstelsel is de eindstreep helemaal niet verder weg komen te liggen, maar door de studieduurverkorting zelfs dichterbij. De stijging van het gemiddeld onderwijsniveau in Nederland komt bij uitstek voor rekening van het opduwen van de lagere onderwijsniveaus. In toenemende mate lijkt ons onderwijsstelsel op een wielerkoers waarin meer dan de helft van de afstand geneutraliseerd en in betrekkelijk gezapig tempo wordt afgelegd, en iedereen de gelegenheid heeft zich wat warm te rijden.

Boudons model van de afvalkoers ziet nog een tweede belangrijke omstandigheid over het hoofd. Als de schoolloopbanen langer worden, worden de beslissingen steeds meer genomen op een leeftijd waarin kinderen aanzienlijk minder luisteren naar hun ouders dan wanneer ze jonger zijn. Ouders kunnen hun kinderen goed helpen en stimuleren wanneer deze 10 of 12 zijn, maar aan het eind van het voortgezet onderwijs zit dat er niet meer in. De schoolprestaties op gevorderde leeftijd zijn daarom weinig verschillend tussen de milieus. Door de algemene onderwijsexpansie zijn juist deze resultaten bepalend voor het uiteindelijke eindniveau geworden. Onderzoek in de afgelopen tien jaar heeft dan ook omstandig aangetoond dat er in Nederland een trend bestaat naar meer gelijkheid van onderwijskansen tussen de verschillende sociale milieus. De Vries lijkt de betreffende publikaties niet te kennen, en waar hij ze wel citeert, heeft hij ze verkeerd begrepen.

De Vries behoort bij een school van historisch gerichte sociale wetenschappers onder wie het vaardig aaneenrijgen van citaten van klassieke sociologen, 17e-eeuwse schoolreglementen en Annie M.G. Schmidt ten minste dezelfde waarde lijkt te worden toegekend als aan grootschalige kwantitatieve gegevens. Theorieën krijgen een hogere status toegeschreven naarmate zij langer geleden ontstaan zijn, en ontwikkelingen worden belangrijker geacht naarmate zij verder in het verleden hun oorsprong lijken te hebben. Dat maakt Het pedagogisch regiem een leesbaar boek, maar nog geen goede wetenschap. Daarin gaat het namelijk om recente inzichten, de laatste ontwikkelingen en gezaghebbend en up-to-date feitenmateriaal.

    • Harry B.G. Ganzeboom