HET MACHAKOS SCENARIO

Rostrom, R.S. & M. Mortimore 1991. Environmental Change and dryland management in Machakos district, Kenya, 1930-90. Working paper 58, Overseas Development Institute, London.

Tiffinf, M & M. Mortimore 1992. Environment, Population Growth and Productivity in Kenya: a case study of Machakos district. In: Development Policy Review vol 10, pp 359-387.

Een gruwelijk landschap geteisterd door watererosie, met kaalgegraasde hellingen en diepe geulen, en een enkel dorp met uitgemergelde bewoners. Zo deden delen van Machakos district in Kenya zich in de jaren dertig voor aan de schaarse bezoekers van buiten. De periodieke droogtes gaven de vegetatie geen kans zich te herstellen en een vicieuze cirkel van toenemende erosie volgde.

De situatie was zo desastreus dat in zeven van de twintig jaren op grote schaal voedselhulp moest worden gegeven. Tevergeefs trachtte de bevolking het probleem te omzeilen door haar land uit te breiden naar de verboden kroondomeinen. De overheid zelf legde de schuld bij de toename in de veestapel, en vooral bij de geiten. De ruin bringing goat, zoals een overheidsrapport het noemde, en andere traditionele methoden moesten krachtig worden bestreden. Goedwillende Engelse ambtenaren zetten jarenlange programma's op die weinig succes hadden, maar wel uiterst kostbaar bleken. Slechts de aanleg van kleine dammen en de invoering van tuinbouwgewassen waren verbeteringen die op enige schaal beklijfden.

Tot zover niets nieuws: er zijn immers weinig succes stories van koloniaal optreden bekend. Maar vandaag, zes decennia later, geldt Machakos als een van de meest productieve en dynamische districten van het land. Recent Kenyaans-Engels onderzoek heeft aan het licht gebracht hoe een dergelijke omslag mogelijk was, en daarmee een bijdrage heeft gegeven tot verdere validering van de theorie van de Deense econome Ester Boserup die al in 1965 stelde dat bevolkingsgroei niet de afhankelijke maar juist variabele bij (landbouw) ontwikkeling was.

In een van de aardigste momenten in de televisieserie Een schitterend Ongeluk zei Stephen Jay Gould, met nauwelijks onderdrukte ergernis, dat het in de wetenschap helemaal niet gaat om de grote vragen, maar juist om de details. Evolutiedruk bestudeer je aan de hand van de Westindische landslak, en niet door je af te vragen wat leven is. De relatie tussen landgebruik en milieudegradatie - een van de aspekten van de theorie van Boserup - wordt pas duidelijk aan de hand van gedetailleerde analyses van statistische tijdsreeksen in een concreet gebied. Veel tropische gebieden bieden een goede mogelijkheid om deze vraag te bestuderen, omdat grote veranderingen in bevolkingsdruk zich recenter dan in het westen hebben afgespeeld, en deels nog steeds doorgaan. Waar men in Europa voornamelijk is aangewezen op historische archieven, kan in de tropen gewerkt worden met luchtfoto's en gesproken worden met mensen die de veranderingen van vijftig jaar geleden nog bewust hebben meegemaakt.

Tussen 1930 en 1990 heeft de bevolking van Machakos zich vervijfvoudigd, tot 1.4 miljoen, d.w.z. een bevolkingsdruk van 135/km. Ruim een derde woont in de gebieden met de laagste regenval. Luchtfoto's tonen aan dat de oppervlakte onder landbouw zich aanzienlijk heeft uitgebreid, ten koste van grasland en bos. Bijna al het landbouwland is nu geterrasseerd en daarmee beschermd tegen erosie, waarbij de meest intensief gebruikte gebieden telkens het eerste geterasseerd werden. De snelheid van de veranderingen nam overal toe na 1960, zonder dwang en zonder noemenswaardige overheidssteun. In die jaren bedroeg de bevolkingsgroei bijna 4%, en was daarmee een van de hoogste in de wereld. Zowel de produktie per eenheid oppervlakte als per hoofd van de bevolking namen spectaculair toe, van respectievelijk 10 en 0.25 maisequivalenten in 1930 tot meer dan 100 en 1.1 in 1987.

Deze gegevens staan loodrecht op het gebruikelijke beeld dat de landbouwproduktiviteit in Afrika weinig groei vertoont, dat ontwikkeling afhankelijk is van overheidsinitiatief, en vooral dat bevolkingsdruk het milieu aantast. Wat dat laatste betreft: er blijkt een kritiek traject in bevolkingsdichtheid te bestaan (ongeveer 50 mensen/km), waarbij investeringen in landverbetering nog niet lonend zijn, en dus degradatie optreedt door de uitbreiding van het landbouwareaal. De milieuaantasting was het ernstigst in de periode 1930-1950, toen de intensivering van het landgebruik nog op gang moest komen. Als dat eenmaal is gebeurd, dan kan een jaarlijkse bevolkingsgroei van 3% makkelijk opgevangen worden.

De landbouwtechnische basis voor deze produktiegroei bestaat uit drie onderdelen.

Moderne, droogtetolerante maïsrassen met een korte groeiduur maken het mogelijk om optimaal gebruik te maken van de onzekere regenval. Het interessante is dat deze rassen door de boeren weer worden gekruist met hun eigen maïs, zodat er een groot aantal keuzemogelijkheden ontstaat die blijkbaar genetisch voldoende diversiteit biedenvoor uiteenlopende bodem-klimaatcombinaties.

Er is overigens geen statistische aanwijzing dat de regenval in zestig jaar een neerwaardse trend vertoont, hoewel cyclische effecten (mogelijk geassocieerd met zonnevlekken) niet afwezig zijn. Ook in de droogste delen van het district wordt maïs verbouwd, ofschoon sorghum of gierst meer geschikt lijken. In 60% van de jaren valt er zelfs minder dan 250 mm per seizoen, het absolute minimum voor maïs, maar toch wordt de voorkeur gegeven aan dit produktievere gewas. Dat kan alleen als water- en bodemconservering optimaal zijn, zoals bij de brede terrassen ('bench terraces') die oorspronkelijk voor koffie en groenten waren aangelegd, maar al snel voor voedselgewassen werden gebruikt. Op de terrassen, die deels met bananen en vruchtbomen beplant zijn, kan het regenwater accumuleren. Compost wordt op grote schaal gebruikt. Er wordt nu op rijen geplant in plaats van breedwerpig gezaaid, zodat het eerste wieden met de ploeg kan gebeuren, waarmee de bedden die het water vasthouden, extra worden versterkt.

Een niet onbelangrijk detail is dat de maïsopbrengsten nog steeds erg laag zijn (ongeveer 1000 kg/ha), en in die teelt weinig kunstmest wordt gebruikt. De produktiegroei moet dan ook voornamelijk uit de verbeterde watervoorziening worden verklaard. Bijna al het land wordt nu in beide regenseizoenen bebouwd, waarmee in feite een verdubbeling van het effectieve areaal tot stand is gekomen.

Ten derde blijkt gewaskundige specialisatie de basis voor de toegenomen welvaart, en uiteraard het stimuleren van werkgelegenheid buiten de landbouw. De tuinbouwsector groeit, nu er direct aan Nairobi geleverd wordt dankzij het verbeterde wegennet. De koffieteelt, ooit voorbehouden aan blanken, biedt de mogelijkheid tot inkomen dat weer in de landbouw kan worden geïnvesteerd.

Er zijn volgens schattingen van de FAO 700 miljoen hectare 'marginale' regenafhankelijke landbouwgronden. Bijna overal, ook buiten Afrika, vormt landdegradatie de grootste bedreiging van de groei van voedselbeschikbaarheid en welvaart. Uiteraard geldt het Machakos-scenario lang niet overal, met name door verschillen in economische omstandigheden. Het geval Machakos rekent wel definitief af met het stereotype beeld van Afrika als het hopeloze continent, met aids, droogte, corrupte overheden en burgeroorlogen. Het laat zien dat bevolkingsdruk niet alleen heeft geleid tot produktiegroei, landverbetering en afname van erosie, maar dat zelfs de kwaliteit van een aantal milieu-indicatoren is toegenomen. Landschappelijk is er natuurlijk het nodige veranderd: laagproduktief grasland en 'bush' zijn er nauwelijks meer, en het wildbestand is sterk verminderd. De natuur is ook daar tot een, weliswaar divers, cultuurlandschap geworden. Maar de vegetatie van inheemse bomen is duidelijk toegenomen. De ironie wil dat dat laatste te danken is aan de ooit vervloekte geit die door haar graasgedrag nu de struikvegetatie onder controle houdt, met als resultaat een verbeterde concurrentiepositie voor de bomen.