Herstel of niet?

Bankpresident Duisenberg is optimistisch over de Nederlandse economie. Tien dagen gelden voorspelde hij dat Nederland bezig is voorzichtig uit het dal te klimmen. Drie dagen later stelde de voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) Rinnooy Kan: “Wie zegt dat het dieptepunt van de conjunctuur is bereikt, zoals president Duisenberg van De Nederlandsche Bank, geeft valse en misleidende informatie.” Opmerkelijk harde taal. Volgens Rinnooy Kan gaat het slecht met Europa: elke dag gaan tienduizenden banen verloren.

Wie moeten we geloven? Laten we eens naar een aantal cijfers kijken. Vorige maand publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) de Macro Economische Verkenning (MEV). In de MEV geeft het Planbureau onder meer een vooruitberekening over de economische ontwikkeling in Nederland voor 1993 en 1994. De cijfers voor 1993 zijn niet om vrolijk van te worden. Het nationaal inkomen neemt toe met 1,5 procent. Maar als we rekening houden met een gemiddelde prijsstijging van 2 procent, blijkt het reëel nationaal inkomen in 1993 met 0,5 procent te krimpen. De oorzaak voor die zwakke conjunctuur ligt in de bestedingen. In de eerste plaats de export. Bij onze belangrijkste afnemers - zoals Duitsland, België en Frankrijk - gaat het economisch nog beroerder dan bij ons. Alleen in het Verenigd Koninkrijk is sprake van groei. De import van de Europese landen staat op een laag pitje. En daar komt nog bij dat de koers van de Nederlandse gulden het afgelopen jaar flink is gestegen. Die hogere koers maakt Nederlandse produkten duurder voor het buitenland. Die twee ontwikkelingen hebben een negatief effect op onze export. En met onze binnenlandse bestedingen is het al niet beter gesteld. De gezinsconsumptie groeit nauwelijks, de overheid bezuinigt en de investeringen van de bedrijven dalen zelfs met ruim 4 procent.

Maar voor 1994 verwacht het CPB een bescheiden opleving van de conjunctuur. En als zo vaak moet dat herstel uit het buitenland komen. De Europese economieën lijken het ergste nu achter de rug te hebben. In 1994 trekt de wereldhandel aan en daarmee ook de Nederlandse export. Hoewel de binnenlandse bestedingen aan de zwakke kant blijven, gaat het CPB ervan uit dat het reëel nationaal inkomen in 1994 met 1,25 procent zal groeien.

Ook uit andere bronnen kan worden afgeleid dat het binnenkort weer een tikkeltje beter gaat met onze economie. Maandelijks publiceert De Nederlandsche Bank (DNB) een conjunctuurindicator. Op basis van onder andere enquêtecijfers over de orderontvangsten van het bedrijfsleven en de door ondernemers verwachte bedrijvigheid, maakt DNB een prognose over het conjunctuurverloop in de komende maanden. Tot dusver was de voorspelling steeds in mineur. Maar de meest recente voorspelling (begin oktober) wijst op een stabilisatie. Diezelfde conclusie kan worden getrokken uit de conjunctuur-enquête die The Economist deze maand heeft gehouden. Opvallend in dit laatste onderzoek is overigens dat Nederland onder de dertien belangrijkste industrielanden voor 1993 de tweede plaats inneemt (eerste is Japan). En ook voor 1994 wordt de ontwikkeling van de Nederlandse economie als relatief goed beoordeeld: een derde plaats, na Japan en Zwitserland. Duisenberg staat dus zeker niet alleen in zijn optimisme. Blijft de vraag: waarop baseert Rinnooy Kan zijn pessimisme?

Met zijn bewering dat het op dit moment slecht gaat in Europa, heeft de VNO-voorzitter gelijk. Dat zal ook Duisenberg niet bestrijden. Maar Duisenberg heeft het over de toekomst. En de opmerking van Rinnooy Kan dat er dagelijks tienduizenden banen in Europa verloren gaan, is terecht. Ook in Nederland loopt de werkgelegenheid in 1993 en 1994 terug. In 1993 stijgt de werkloosheid, volgens berekeningen van het CPB, daardoor met 74.000 personen tot 555.000. In de loop van 1994 komen daar, ondanks het aantrekken van de conjunctuur, nog eens zo'n 70.000 werklozen bij. Hoe valt dat te rijmen met economisch herstel?

In de eerste plaats heeft Nederland nog steeds te maken met een groeiende beroepsbevolking. Per jaar neemt het aantal mensen dat een baan wil toe met 60 à 70.000. Om te vermijden dat de werkloosheid groeit, moeten er dus jaarlijks ten minste evenveel banen worden geschapen. Daarvoor is meer groei nodig dan de door het CPB voorspelde 1,25 procent. In de tweede plaats reageert de ontwikkeling van de werkgelegenheid altijd met vertraging op de produktiegroei. In een neergaande conjunctuur krijgen ondernemingen te maken met overcapaciteit. Zij hebben meer mensen in dienst dan nodig is. Die overtollige werknemers ontslaan zij niet onmiddellijk als hun orderportefeuille terugloopt. Omgekeerd staan ondernemers bij een aantrekkende conjunctuur ook niet te trappelen om mensen in dienst te nemen. Pas als de bestaande overcapaciteit is verdwenen en als zij voldoende vertrouwen hebben in de toekomst, zullen zij hun personeelsbestand uitbreiden. En in de derde plaats heeft de werkloosheid niet alleen een conjuncturele, maar ook een structurele oorzaak. In de conjunctureel zwakke periode proberen ondernemers op allerlei manieren hun produktieproces efficiënter in te richten. Dat gaat vooral ten koste van arbeidsplaatsen voor laaggeschoolde werknemers. De banen die daardoor verloren gaan, komen ook in een betere conjunctuur niet meer terug.