Gym

B weet nog veel van onze vroegere gymleraar. “Postzegel naar voren” en “duimpje op half zeven” veroorzaakt door een volleybal. Huet trok zelf het duimpje weer op zijn plaats. Janssen uit de telefoongids overschrijven als strafwerk.

Zes jaar lang hadden zijn lessen een voorspelbaar verloop. In de gymzaal, ook gebruikt voor feesten, stond op het toneel een piano. Terwijl Huet speelde, holden wij op blote voeten rondjes. Zo begon de les. Soms speelde hij een boogie woogie (nooit meer hoor je boogie woogie). Dan liepen we harder, zachtjes joelend.

Het prettigste deel van de les: ritmische gymnastiek. Huet was, heel vreemd, gym- maar ook pianoleraar en speelde eigen composities. Zijn naam stond op de bladmuziek. Wij huppelden. Ik doe de huppeltjes nog wel eens.

Het was een vreemd mens: hij bleef zes jaar vreemd, dat is nog het beste dat je van hem zeggen kan. Eén keer zag ik hem stralen. We waren op kamp. Na een ochtend fietsen op de Veluwe strekte hij zich uit in de berm naast de nieuwe jonge bloedmooie gymjuf, na haar liefdevol met een regenjas te hebben toegedekt. Wij stonden er aan ons lot overgelaten gegeneerd en verneukt naar te kijken.

Hij ketterde en vloekte harder dan alle andere leraren, als we 's nachts lagen te rotzooien in de kampeerboerderij. Rillend lag ik in m'n lakenzak.

Het gruwelijke deel van de les: toestellen. Touwen bijvoorbeeld. Ik kon mijzelf niet optrekken en stond minutenlang glimlachend en me doodschamend onderaan het touw, mijzelf af en toe met een sprongetje aan gestrekte armen ophangend, tot de anderen boven en weer beneden waren of tot ik met een “hé jij daar, ga maar zitten” werd verlost. Of het scheve wandrek, waar we ons tussendoor moesten vlechten. Duizend hoogtevreesdoden stierf ik.

B schimpt.

De les werd afgesloten met verlossend volleybal. Ik heb het tot eerste reserve gebracht van de vierde klas die het schoolteam versloeg en herinner me nog één safe, duikend naar de grond, gejuich van de kant en dan niet weten hoe te kijken.

Af en toe steek ik m'n hoofd wel eens om de deur in de gymzaal. Het geluid valt me op: nee, geen piano. Roffelende voeten en de echo van roepende kinderstemmen. Er is een overvloed aan ballen. Heerlijk lijkt me dat: een bal voor jezelf. Niet langer een heilig object dat je af en toe heel even mocht aanraken, jaloers aangestaard door anderen en toegesnauwd door de grootsten.

Ritmische gymnastiek is er alleen nog op de tv en heet nu Total Work Out. Het heet nu aerobics of steps, waarbij een oneindig aantal malen een trapje van één trede wordt opgelopen. De leider, aanvoerder, sergeant staat vooraan in subcultuurEngels instructies te hijgen. De discipline van de bewegingen doet me aan het Derde Wereldrijk denken. Zouden onze kinderen niet in beweging te krijgen zijn met wat house, stroboscopen erop, Nikes en glimmende pakjes in zuurtjeskleuren? Dan moet mijn collega zelf natuurlijk ook.

Er is een klimwand in de gymzaal. Ik wil het ooit nog eens proberen, veilig aan een touw in gevecht met de hoogtevrees. Op de gymles is moed en de tegenhanger, angst, van belang. Verder wordt deze belangrijkste van alle eigenschappen op school niet onderkend. Leraren kunnen schaamteloos en mateloos laf zijn, bijvoorbeeld in discussies over rechtspositie (“ik eis zekerheid”) of onderwijsvernieuwing.

Huet zorgde uitstekend voor de angst, maar deed niets om moed te ontwikkelen. Over moed en angst zou het onderwijs moeten gaan, zeker in de gymles, maar dat staat niet in de kerndoelen. Gelukkig is er die klimwand.

    • Rob Knoppert