Franse topdiplomaat op de bres voor Europese cultuur

PARIJS, 21 OKT. De obers van restaurant Chez Francis, met onbedreigd uitzicht op de Eiffel-toren aan de overkant van de Seine, gebaren dat hun hoge gast moet gaan verzitten: een groep zakenlieden uit de voetbalbranche wil vergaderen in zijn lunchhoek. Terwijl hij naar een ander tafeltje wordt gedirigeerd, dicteert Frankrijks reizende audiovisuele ambassadeur onverstoorbaar verder in een minuscule draadloze telefoon. Cultuurbeleid vraagt een dynamische aanpak.

Bernard Miyet is de motor achter de Franse campagne om alsnog een uitzondering voor de cultuur te krijgen in de Uruguay-ronde, het mondiale vrijhandelsakkoord voor zaken en diensten dat al zeven jaar in GATT-verband in de maak is. De Amerikaanse regering eist spijkers met koppen vóór 15 december. Frankrijk is fel gekant tegen de voorgestelde beperkingen van de landbouwexport èn het dreigende verbod de eigen cultuur te steunen en te beschermen.

“Het is niet zo dat Frankrijk in de audiovisuele sector een nieuw strijdpunt heeft gevonden om de aandacht van de landbouwproblemen af te leiden. Wat er bij de GATT-onderhandelingen dreigt te gebeuren met de cultuur raakt ons echt diep, misschien zijn we daarop wel gevoeliger dan andere landen.”

Hij is pas sinds 10 september reizend ambassadeur voor audiovisuele GATT-zaken. Maar als topdiplomaat met ervaring in de particuliere televisiewereld, als consul-generaal in Los Angeles, kabinetschef van een vorige minister van communicatie en ambassadeur bij de VN in Genève, kent deze oud-student aan de hoge ambtenarenschool ENA het klappen van de internationale zweep.

Ambassadeur Miyet - in 1946 geboren in Bourg-de-Péage (Drôme) - beheerst het dossier merkbaar van voor tot achter. De artikelnummers uit alle relevante verdragen vliegen over tafel. Hij staat voor zijn zaak en reist nu stad en land af om de noodzaak van de "exception culturelle' te bepleiten. Eergisteren was hij in Bonn, tussen Kopenhagen en Londen reist Miyet morgen naar Den Haag, waar hij minister d'Ancona hoopt te inspireren tot gepaste opstandigheid.

Frankrijk gooide pas in september een speciale ambassadeur in de strijd, toen duidelijk begon te worden dat de komst van nieuwe onderhandelaars aan Amerikaanse en Europese zijde de "culturele uitzondering' in gevaar bracht. Parijs had tot die tijd de indruk dat tussen de handelsvertegenwoordiger van president Bush, Carla Hills, en Euro-commissaris Frans Andriessen een stilzwijgende afspraak bestond geen moeilijkheden te maken over film, radio en televisie in een mondiaal handelsakkoord.

Toen Mickey Kantor en Sir Leon Brittan op het toneel verschenen, werd dat anders. Miyet wijst erop dat Kantor in Los Angeles advocaat van de filmindustrie was. De suggestie is duidelijk. Nu Hollywood makkelijker entree heeft, neemt Washington een aanzienlijk harder standpunt in. Het economisch belang van bewegende beelden is groot voor de VS. De Franse filmwereld werd deze zomer extra ongerust toen bleek dat de Europese onderhandelaar Brittan een vage positie innam. Omwille van de flexibiliteit in de onderhandelingen, maar toch.

Pag.7: Cultuur is meer dan suikerbieten

“Het is niet een uniek Frans probleem waar we het over hebben”, zegt Miyet. “Alleen staan bij ons culturele zaken in het centrum van de politieke discussie. Je kan hier geen presidentskandidaat worden als je slechte betrekkingen hebt met de litteraire en de intellectuele wereld. Er is hier een soort symbiose tussen de werelden van media, politiek en cultuur.

“Sommige van onze partners zeggen dat het tactiek van ons is hier drukte over te maken. Zo is het niet. De audiovisuele sector telt bij ons even zwaar als de landbouw. Die is niet van het zelfde economische, maar wel het zelfde politieke gewicht. Zo zijn Fransen nu eenmaal. Je kan zeggen dat het met corporatisme te maken heeft. Je kan het ook positiever zien: het ligt in het hart van onze wijze van leven en denken.”

Sinds Frankrijk zich internationaal sterk maakt voor de opvatting dat cultuurprodukten niet kunnen worden behandeld als suikerbieten of ertsknikkers, is een verhoogde aandacht voor de culturele component onmiskenbaar. Europees onderhandelaar Brittan is vandaag in de Franse krant Libération voorzichtig optimistisch, al pleit hij voor bescherming van cultuurgoederen binnen de GATT, liever dan een algemene uitzondering.

De zaak moet eindelijk in zijn juiste context worden geplaatst èn gededramatiseerd, zegt Miyet. Waar het om gaat is dat Europese landen het recht behouden hun eigen filmindustrie te subsidiëren en voorwaarden te blijven stellen aan de hoeveelheid audiovisuele 'produkten' van eigen bodem die op de nationale tv-schermen wordt vertoond.

“Ons wordt protectionisme verweten. Terwijl tachtig procent van de Europese bioscoopkaartjes worden verkocht voor Amerikaanse films. Bij ons ligt dat percentage op 56. Wij subsidiëren onze audiovisuele sector, inderdaad, en we zijn zo ongeveer het enige Europese land dat nog een filmindustrie over heeft.

“Men zegt: met jullie actie ontkennen jullie de realiteit van de markt. Maar het is helemaal niet het publiek dat bepaalt wat het wil zien. In de bioscoop winnen Amerikaanse films, voor een jong publiek. Op de televisie ziet men liever Franse films. Maar de omroepen zijn goedkoper uit en maken meer winst met het vertonen van Amerikaanse programma's, zelfs als er minder mensen naar kijken. Die zijn goedkoper door hun massa-afzet. Dat wil nog niet zeggen dat men Amerikaanse films hier het beste vindt.

“Ik ken geen grote, levende Nederlandse schrijvers. Maar het zelfde lot treft de Fransen. Omdat Ludlum een fenomenale oplage bereikt is hij toch niet noodzakelijkerwijs beter dan de Nobelprijswinnaar Michel Simon?” (Hier bedoelt de spreker ongetwijfeld Claude Simon, maar de band is onverbiddelijk. Ook Parijs verwart wel eens een acteur met een auteur.)

De Europese ministers van cultuur hebben op 5 oktober in Bergen (België) een aantal ferme eisen geformuleerd. De 'exception culturelle' werd toen niet onderschreven door vijf van de twaalf landen, waaronder Nederland en Engeland. Miyet heeft niet de indruk dat zulke landen onverschillig zijn of Frankrijk de kastanjes uit het vuur laten slepen.

“Het debat gaat over de vraag of we commerciële waarheden moeten laten domineren. Wij willen niet in een logica terecht komen waarin het ons verboden wordt onze eigen cultuur te blijven bevorderen. Ook als dat een remmend effect heeft op de vrije handel. Ik hou niet zo van grote woorden, we worden niet cultureel onderworpen. Maar niettemin, wij strijden voor een bepaald soort samenleving. Sommige landen zien niet helemaal wat er op het spel staat.”

    • Marc Chavannes