Exodus dreigt bij kleine gasvelden in Noordzee

DEN HAAG, 21 OKT. De oliemaatschappijen die in Nederland actief zijn hebben in een rapport van hun organisatie Nogepa de alarmbel geluid. Ze willen een zeer aanzienlijke verlichting van fiscale lasten om de winning van aardgas in 25 kleine gasvelden op de Noordzee rendabel te maken. Als dat niet lukt, voorziet Nogepa een exodus van gasproducenten uit het Nederlandse deel van de Noordzee.

Het klonk gisteravond uit de mond van Nogepa-directeur J. Mathey als een nuchtere constatering: “Om de investeringen in kleine, marginale gasvelden weer op gang te brengen, hebben wij voorstellen naar Economische Zaken gestuurd. Als die niet worden overgenomen, voorzie ik dat nog meer maatschappijen hun geld elders gaan investeren, in velden waar geld te verdienen valt. Kijk naar het Verenigd Koninkrijk, waar de lasten veel lager zijn, naar Noorwegen en naar het Verre Oosten.”

Vorig jaar verkochten vijf oliemaatschappijen al hun belangen op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat, en één deed zijn kantoor in Den Haag dicht, vertrok naar Londen en heeft zijn Nederlandse concessies in de aanbieding gedaan. Een logische stap, want de Britse regering heeft haar fiscale regime voor de off shore (op zee) energieproduktie versoepeld. Het Verenigd Koninkrijk kent geen staatswinstaandeel op de gas- en oliewinning, geen "royalties' en een veel gunstiger regeling voor vervroegde afschrijving van investeringen.

De Gasunie en minister Andriessen lieten zich eerder al zorgelijk uitover de tanende belangstelling voor kleine gasvelden op de Noordzee. Het "kleine-veldenbeleid' is een hoeksteen in het streven van de overheid om Nederland zo lang mogelijk van zijn belangrijkste bodemschat te laten profiteren. Door zo veel mogelijk kleine gasbellen in produktie te nemen, kan de reserve in het grote veld in Groningen worden gespaard om tijdens koude winterperioden aan de piekvraag naar gas te kunnen voldoen. Dat "hamsteren' heeft ook als voordeel dat het gas uit de kleine velden, dat zeer verschillend is van calorische waarde, zo lang mogelijk met gas uit Slochteren kan worden gemengd om aan de kwaliteit te komen die de markt vraagt. Als dat niet meer kan, is het gas uit de kleine velden moeilijker af te zetten.

Tot voor kort was het kleine-veldenbeleid zeer succesvol. In 1989 hoefde de grote bel in Slochteren slechts voor 39 procent bij te dragen in de totale afzet van de Gasunie. Die afzet bedraagt circa 80 miljard kubieke meter per jaar, waarvan de helft in het binnenland wordt verkocht en de andere helft naar Duitsland, België, Frankrijk, Zwitserland en Italië wordt geëxporteerd. 's Zomers bleven de afsluiters in Slochteren vrijwel steeds gesloten en zorgden de kleine velden voor voldoende gas, 's winters werd "Slochteren' weer geopend. Maar de aanhoudend lage gasprijzen (gekoppeld aan de olieprijs) en de lage dollarkoers hebben inmiddels roet in het eten gegooid. Vorig jaar was de produktie van kleine velden sterk afgenomen en moest Slochteren weer voor 50 procent aan de afzet van Gasunie bijdragen.

Oliemaatschappijen reageerden op de ongunstige prijsverhoudingen met een stagnatie van investeringen in kleine velden. Vooral kleine gasbellen, met een inhoud van 1 tot 4 miljard kubieke meter, worden nu door de produktiebedrijven als "marginaal' bestempeld: ze zijn niet meer rendabel te exploiteren. De afgelopen jaren heeft de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), het dochterbedrijf van Shell en Esso, nog successen geboekt met het aanboren van flinke velden in Grijpskerk, Munnikezijl en Anjum. Maar ook deze maatschappij doet nu mee in de roep van de organisatie Nogepa om lastenverlichting. Net als een aantal concurrenten moet de NAM reorganiseren en forse reducties in haar personeelsbezetting doorvoeren.

Met uitzondering van Grijpskerk, Munnikezijl, Anjum en de eventuele ontwikkeling van flinke gasvelden onder de Waddenzee zijn de nu nog te produceren gasvelden in Nederland klein, verwacht Nogepa. Alleen wanneer de regering besluit tot een scherpe vermindering van lasten is er nog een boterham te verdienen aan de ontwikkeling van bijna 100 kleine velden, waarvan er zich 75 "off shore' bevinden. Bij hun beroep op minister Andriessen voelen de maatschappijen zich gesterkt door het feit dat ze al ruim 2 miljard gulden hebben besteed aan seismisch onderzoek en proefboringen. Als dat "verzonken geld' niet leidt tot produktie van gas, is dat immers niet alleen een verlies voor de oliesector, maar ook voor de overheid. Want niet alleen zou de Gasunie dan de 320 miljard kubieke meter gas die in deze kleine velden zit opgesloten missen, waardoor Nederland vier jaar eerder door zijn gasreserves heen is, ook zou de Staat van zijn belastinginkomsten uit die omzet worden beroofd.

Maar de oliemaatschappijen grijpen nu naar een middel dat het meest gevoelig ligt voor de ministers van financiën en economische zaken: ze willen afschaffing van het staatsaandeel in de gaswinsten van alle velden in zee om de winningsvoorwaarden gelijk te trekken met die in het Britse deel van de Noordzee. Minister Kok heeft voor volgend jaar bijna 8 miljard aardgasinkomsten voor de schatkist op zijn begroting geboekt. Als Nogepa haar zin zou krijgen (de noodzakelijke wetswijzigingen vergen zeker een jaar) zou dat bedrag vanaf 1995 flink dalen.

Uit de eerste commentaren van het ministerie van economische zaken - dat het staatsaandeel int - blijkt echter dat de overheid niet bereid is de staatswinst zomaar prijs te geven. De directeur voor gas- en oliezaken van Economische Zaken, drs. P.A. Scholten, denkt aan andere maatregelen: wellicht kan een combinatie van een snellere produktie uit de kleine velden en een hogere aftrek van kosten vóór belastingen de oliemaatschappijen uit de brand helpen, zei hij vorige week. De eerste maatregel wordt ook door Nogepa bepleit, de tweede niet.

Snellere produktie is te realiseren door een aanpassing van de zogenoemde "loadfactor' (produktie per tijdseenheid) en de snelheid van "depletie' (tempo van uitputting van de velden) die in de afname-contracten van de Gasunie zijn vastgelegd. Gasunie verlangt volgens die contracten dat er niet te veel gas tegelijk wordt aangeleverd en stemt daarmee het tempo van de totale produktie af op de vraag. Daardoor geldt voor de meeste velden dat ze niet sneller dan in 14 jaar worden uitgeput.

Nu het aandeel van de kleine velden in de totale produktie is afgenomen, is een versnelling tot op zekere hoogte mogelijk, maar voor een continue produktie van alle 25 kleine velden die in aanmerking komen, waardoor de rentabiliteit sterk zou toenemen, is opslag van het aardgas nodig. Dat proberen Gasunie en NAM nu te bereiken door de aanleg van ondergrondse reservoirs in het Drentse Norg en het Friese Grijpskerk. Als de overheid bereid is tot een lastenverlichting duurt de exploratiefase voor een aantal kleine velden nog één à twee jaar. Het gas dat daarna wordt geproduceerd, zou alvast in Norg kunnen worden opgeslagen.

Vóór de jaarwisseling wil Economische Zaken een antwoord formuleren op de verlangens van de oliemaatschappijen. Van het directoraat-generaal Energie wordt in korte tijd veel gevraagd, want in december moet het kabinet ook een beslissing nemen over eventuele gaswinning in de Waddenzee. Ten minste enige ruimhartigheid jegens de gasproducenten lijkt nodig om het "kleine-veldenbeleid' te redden.

    • Theo Westerwoudt