Een olieramp in het hartje van het regenwoud

De economische ontwikkeling van Zuid-Amerika gaat onvermijdelijk ten koste van de Indianen en de natuur.

In Ecuador vindt een grotere olievervuiling plaats dan met de ramp van de Exxon Valdez - midden in het regenwoud.

En nu de grote centrale hoogvlakte Gran Chaco wordt opgelegd delven de Indianen het onderspit.

De natuurbescherming en indianen vormen samen een verbond. Maar ook als de overheid goedwillend is, staat zij vaak machteloos.

Een van Ecuador's meest populaire televisieprogramma's liet enkele maanden geleden zien hoe tientallen motorzagers in opdracht van de nationale oliemaatschappij Petroecuador illegaal ongerept regenwoud in het Cuyabeno natuurreservaat aan het rooien waren. Kort tevoren hadden bewoners van een nabijgelegen indiaans dorp onder aanvoering van hun blonde dorpshoofd - zoon van Amerikaanse zendelingen die vanaf zijn geboorte in hun midden leefde - een groep arbeiders verrast en hun motorzagen in beslag genomen.

Het regelmatig oplaaiende conflict tussen de steeds verder in het Amazonegebied oprukkende olie-industrie en de natuurbeschermers en indianen kwam hiermee weer eens in het nieuws. Dankzij deze publiciteit werden enkele succesjes geboekt. Petroecuador kreeg een, weliswaar symbolische, boete omdat het met voorbereidingen voor proefboringen in dit olieveld was begonnen zonder de vereiste vergunningen van het nationale bos- en natuurinstituut en zonder de leiding van het reservaat en de weinige indiaanse nederzettingen in de buurt ook maar op de hoogte te stellen.

Toen het bosinstituut weigerde om achteraf alsnog toestemming te geven, riep Petroecuador de hulp van president Sixto Durán in. Deze besliste dat een van de drie beoogde boorlocaties wegens de ecologische kwetsbaarheid en de waarde voor het groeiende ecotoerisme definitief met rust gelaten moet worden.

Over de beide andere locaties wordt binnenkort beslist op grond van een milieu-effectrapport. Het zal dus duidelijk worden welke lobby aan het langste eind trekt: de olielobby of de bonte coalitie van natuurbeschermers, indianen, toeristische bedrijven en kritische ambtenaren van het ministerie van landbouw.

Toch valt te vrezen dat het bij een voor natuur en indianen gunstige uitslag slechts gaat om een incidenteel stapje terug voor de oliesector dan om een echte koerswijziging van het regeringsbeleid. De ruim een jaar geleden aan de macht gekomen president Durán en zijn economische adviseurs zijn de kwakkelende Ecuadoriaanse economie aan het liberaliseren: privatisering van staatsbedrijven, met honderden procenten gestegen prijzen voor eerste levensbehoeften en afschaffing van toch al bescheiden overheidssubsidies.

Een van de hoogste prioriteiten van de regering is verhoging van de aardolieproduktie, de belangrijkste bron van deviezen voor het land. Om zich te bevrijden van beperkende produktiequota heeft Ecuador vorig jaar zelfs de OPEC verlaten, al was de dagproduktie van nog geen 400.000 vaten op de wereldmarkt nogal bescheiden.

Komende maand vindt de zevende olieconcessieronde sinds 1985 plaats. Buitenlandse oliemaatschappijen kunnen dan inschrijven op veertien nieuwe concessiegebieden van ieder 200.000 hectare groot. Als alle concessies worden toegewezen zal daarmee in totaal 85% van de Ecuadoriaanse Amazoneregio zijn uitgegeven. Op grond van de geschatte hoeveelheid en de bij proefboringen bepaalde kwaliteit van de olie besluiten de maatschappijen vervolgens of zij een olieveld gaan exploiteren. Het komt voor dat de resultaten tegenvallen en dat zij besluiten zich terug te trekken of betere tijden, dat wil zeggen hogere olieprijzen, af te wachten.

Pech

Ecuador heeft de pech dat vrijwel alle olievelden niet zoals in het Midden-Oosten in dorre woestijngebieden liggen, maar onder regenwouden die tot de soortenrijkste ter wereld behoren en die door enkele tienduizenden indianen van diverse stammen worden bewoond. Het centrum van de oliewinning bevindt zich in de door Colombia en Peru begrensde noordoosthoek van het land, waar ook twee grote natuurreservaten liggen, Cuyabeno en Yasuni, met een gezamenlijk oppervlak ter grootte van de helft van Nederland. Dieren die uit veel andere Zuidamerikaanse regenbossen en rivieren zijn verdwenen, zoals de zeekoe, zoetwaterdolfijn, jaguar, tapir en harpij-arend, komen hier nog in redelijke aantallen voor. Yasuni heeft van Unesco zelfs de status van "Mondiaal Biosfeerreservaat' gekregen.

Het beheer van ondergrondse bodemschatten staat wettelijk gezien los van de "bovengrondse' politiek, ook als daar toevallig een natuurreservaat is ingesteld. Uiteraard vereist de oliewinning de nodige infrastruktuur in de vorm van wegen, pijpleidingen, opslagstations en kampementen. De aanleg daarvan is in feite in strijd met de wetgeving omtrent natuurreservaten, wat in 1990 door het Constitutioneel Hof werd bevestigd door oliewinning in natuurreservaten te verbieden. Dit verbod werd een maand later al weer ingetrokken, nadat buitenlandse oliemaatschappijen gedreigd hadden zich uit Ecuador terug te trekken. Sindsdien zijn hun activiteiten aan speciale vergunningen gebonden en daarnaast worden milieubeschermende maatregelen en overleg met indianen geëist. Maar door gebrek aan politieke wil en aan middelen bij de dienst voor natuurbescherming heeft dit nieuwe beleid in de praktijk weinig om het lijf.

In de kranten, en nu dus ook via de televisie, wordt de oppositie tegen de ongebreidelde expansie van de oliesector regelmatig aan het woord gelaten. Deze komt vooral van milieu-organisaties en belangengroeperingen van indianen, maar de kritiek wordt gedeeld door bekende economen, juristen en journalisten die de vraag stellen wat Ecuador met een ecologisch en sociaal verpauperde regio aanmoet als de oliereserves over zo'n twintig jaar zijn uitgeput.

Watertribunaal

De oppositie ontvangt ook steeds meer steun uit het buitenland. Zo was Ecuador een van de cases op het Internationale Water Tribunaal dat begin 1992 in Amsterdam is gehouden, waarbij o.a. Petroecuador en Texaco werden veroordeeld wegens ernstige watervervuiling en het in gevaar brengen van de volgsgezondheid in de regio. Een door deze twee gevormd consortium had vanaf het begin van de oliewinning, rond 1970, tot 1985 vrijwel een monopoliepositie. Vooral zij worden verantwoordelijk gesteld voor de naar schatting 65 miljoen liter ruwe olie die over een periode van twintig jaar in meren en rivieren in Noordoost-Ecuador terecht is gekomen.

Deze olie, die bij breuken in pijpleidingen en uit naast de boorputten gelegen afvalbassinswas vrijgekomen, vertegenwoordigt een hoeveelheid die anderhalf keer zo groot is als wat de Exxon Valdez enkele jaren geleden bij de kust van Alaska verloor. Bij het oppompen van de olie komt ook veel warm, sterk met sulfaten, koolwaterstoffen en zware metalen vervuild water vrij, dat bovendien twee tot vijf keer zo zout is als zeewater. Hiervan is sinds 1970 zo'n 80 miljard liter het milieu ingestroomd.

Veel vervuiling had met goed onderhoud en toepassing van meer geavanceerde technieken voorkomen kunnen worden. Zo had men het vervuilde boorwater weer ter plekke op grote diepte kunnen injecteren. Tegen Texaco, dat het land in 1992 definitief heeft verlaten, loopt een procedure om het bedrijf de sinds 1970 veroorzaakte schade aan het milieu en aan de kleine landbouw in de directe omgeving te laten vergoeden. De schade wordt door een Canadees ingenieursbureau geanalyseerd, maar hun eindrapport heeft al ruim een half jaar vertraging opgelopen. De regering zit ongetwijfeld met het geval in haar maag, omdat zij andere buitenlandse oliemaatschappijen, die de procedure met argusogen volgen, beslist niet wil afschrikken. Milieuorganisaties in de VS en Europa voeren de druk op Texaco op door campagne te voeren en de oproep van Ecuadoriaanse milieugroepen tot een boycot internationaal te ondersteunen.

Controversieel is ook de aanwezigheid van de Amerikaanse oliemaatschappij Maxus in het Yasuni-reservaat en in het officieel beschermde woongebied van de Huaorani-indianen. Deze stam heeft zich langer dan enig ander indiaans volk in Ecuador afzijdig gehouden van de westerse cultuur. Met de komst van Maxus en het gedeeltelijke succes van orthodox-protestantse zendelingen zal het met hun zelfstandigheid gauw bekeken zijn.

Op dit moment worden een weg en pijpleidingen aangelegd, waarna de produktie eind dit jaar zal beginnen. Felle protesten in de VS en Ecuador in de afgelopen jaren tijdens voorbereidende werkzaamheden van Maxus hebben niet mogen baten. Maxus heeft onder de indianen verdeeldheid gezaaid door met individuele dorpsleden akkoordjes te sluiten en stamleiders te negeren.

Naast vervuiling heeft de oliewinning een nog ingrijpender gevolg voor de natuur en de oorspronkelijke bevolking, door de aanleg van wegen. Een gestage stroom landloze kolonisten trekt hierlangs het gebied in, brandt het meeste bos plat en probeert met het verbouwen van koffie, bananen en mais of met het houden van rundvee het hoofd boven water te houden. Alleen met strikte controles en harde maatregelen is zo'n migrantenstroom misschien te stoppen, maar daarvoor ontbreekt het lokale autoriteiten aan middelen en politieke wil. Een van de treurige gevolgen is dan ook, dat zich regelmatig grondconflicten tussen migranten en indianen voordoen.

Er zijn maar weinig kritici in Ecuador die alle oliewinning in het Amazonegebied willen stopzetten. Sommige groeperingen pleiten er voor om in ieder geval natuur- en indianenreservaten ongemoeid te laten, en zij hebben sterke juridische argumenten. Anderen gaan minder ver en pleiten voor een moratorium van tien jaar voor de oliewinning in reservaten, een strikte handhaving van regels ter bescherming van de natuur en de indianen, een verplichting voor oliemaatschappijen om alleen de schoonste technieken toe te passen, de oprichting van een onafhankelijke inspectiedienst en het afzien van de aanleg van wegen langs de pijpleidingen. Zelfs president Durán gaf enkele van deze maatregelen ter overweging aan de onlangs benoemde commissie bij zijn recente besluit om een van de beoogde proefboorlocaties in het Cuyabeno-reservaat te schrappen.

Economische argumenten wegen zeker in een arm ontwikkelingsland uiteraard het zwaarst. Zo is natuurtoerisme vanuit de rijke landen sterk in opkomst. De regio omvat nog altijd gedeelten met vrijwel intact regenwoud met een rijke fauna, en vrijwel iedereen die Ecuador bezoekt neemt ten minste enkele dagen jungle in zijn programma op. Toerisme vormt nu zelfs, na aardolie, bananen en visprodukten, waaronder garnalen, de op drie na belangrijkste deviezenbron voor het land. Het levert op de korte termijn minder geld op dan olieproduktie, maar het is een arbeidsintensieve bedrijfstak die in principe een duurzame exploitatie van de natuur mogelijk maakt.