De tol

Mensen beginnen mij aardig te vinden. Ik bedoel mensen die me niet kennen maar nu en dan een stukje van me lezen en ja, dat zijn nou eenmaal aardige stukjes; huisje, boompje, beestje en in het ergste geval een wolk erboven, daar zul je je niet gauw een buil aan vallen; en ja, het is ook zo, iemand met zo'n fijn gevoel voor een vogeltje in zijn hand kan niet slecht zijn, niet echt.

Ik merk het aan ze. Ik kom ergens binnen (Tiel! Hippolytushoef!) en ze beginnen elkaar aan te stoten (vrouwen!), ze beginnen te stralen van genoegen. En ik van mijn kant, ik straal natuurlijk net zo hevig terug. De zaal wordt één en al welwillendheid en ik voel me meegezogen in een gruwelijk misverstand, een kolossaal komplot; ik voel me erg doortrapt.

En ze zéggen het ook. Ze komen naar me toe, ze laten me een boek signeren en zeggen: u lijkt me toch zo'n aardige man. En als je zegt, zo aardig ben ik niet, dan ben je nog bescheiden ook. En als je zegt, zo heel bescheiden ben ik niet, dan wordt dat opgevat als eerlijkheid; en als ze denken dat je eerlijk bent, dan sta je machteloos, dan zit je als een kip aan 't spit.

De val slaat dicht, het slop is hopeloos, ik zie geen uitweg meer. Of ja, wat nu misschien nog helpt: een aantal brieven van mensen die mij nog gewoon als hufter zien. Een stuk of vier is wel genoeg.