Chinese vrienden van striptekenaar Hergé achterhaald; China-beeld in Kuifje onderzocht

Het Kuifje-stripboek Kuifje De Blauwe Lotus biedt zo'n indrukwekkend beeld van China in de jaren dertig omdat striptekenaar Hergé zich baseerde op gesprekken met twee Chinese vrienden. Dat staat in het gisteren verschenen boek China in Kuifje.

China in Kuifje,Marcel van Nieuwenborgh en Claire Chang, prijs 22,95 gulden, ISBN 90 6152 821 6, uitgeverij Davidsfonds / Leuven.

BRUSSEL, 21 OKT. De actualiteit is nooit ver weg in België. Afgelopen maandag werd in Brussel voorzitter Amanullah Khan van het Kashmir Liberation Front opgepakt omdat India hem zoekt op verdenking van doodslag. In de eerste berichten werd abusievelijk melding gemaakt van de arrestatie van een militante sikh.

Een niet geheel onbegrijpelijk vergissing. Sikhs komen vaak in het nieuws als er sprake is van geweldadigheden en krijgen daardoor al gauw het stempel opgedrukt van geweld. Bovendien is algemeen bekend dat sikhs niet terugdeinzen om hun vuisten te gebruiken, sinds het verschijnen van de ingekleurde versie na de Tweede Wereldoorlog van De Blauwe Lotus, het avonturenverhaal van Kuifje in China. Op bladzijde 11 van het album is te zien hoe drie vervaarlijke uitziende sikhs, compleet met tulbanden en met opgestroopte mouwen, de cel betreden waarin de beroemde Belgische “broekvent” in de havenstad Sjanghai gevangen wordt gehouden.

Het grappige is dat in de oorspronkelijke versie van De Blauwe Lotus - die in 1934 en 1935 onder de naam Les avontures de Tintin en Extrême-Orient verscheen in de wekelijkse kinderbijlage van de krant Le Vingtième Siècle - helemaal geen sikhs voorkomen. Het scenario is precies hetzelfde, maar de slechteriken zijn dan nog drie sullig ogende Britten met belachelijk broze benen.

Volgens de Leuvense hoogleraar moderne geschiedenis, professor Reginald de Schryver, is het inruilen van de Britten voor Sikhs een typisch voorbeeld van de wijze waarop de Belgische tekenaar Hergé achteraf wijzigingen heeft aangebracht in de avonturenverhalen van zijn held Kuifje. Ook verzwijgt Hergé soms bepaalde zaken of verzacht hij de omstandigheden, waardoor de geschiedenis in ieder geval een klein beetje geweld wordt aan gedaan. De Blauwe Lotus geeft een indrukwekkend, maar wel een subjectief en enigszins vertekend beeld (geen bedelaars in het straatbeeld bijvoorbeeld) van het Sjanghai in de jaren dertig.

De hoogleraar zei dat gisteren bij de presentatie van China in Kuifje, een boekwerk op "Kuifje-formaat' waarin de journalist Marcel van Nieuwenborgh (chef letteren van De Standaard) en Claire Chang (studente aan de universiteit van Leuven) op zoek gaan naar de "Chinese invloeden' op Hergé en waarin ze De Blauwe Lotus van historische kanttekeningen voorzien. De "reportage' die ze hebben geschreven, is niet alleen een uitgebreide en amusante handleiding voor het (her)lezen van De Blauwe Lotus, waarbij bijvoorbeeld allerlei onvermoede toespelingen in de tekst wordt ontrafeld. Ze biedt ook een serieuze schets van een bewogen periode in de moderne geschiedenis van China, aan de vooravond van de "Lange Mars' van Mao die uiteindelijk zou leiden tot de communistische overheersing.

Van Nieuwenborgh en Chang gaan in hun boek in op de vriendschap tussen Georges Remi - Hergé - en de evenoude Chinese beeldhouwer Tchang Tchjong-jen. Tchang, die in 1932 op 27-jarige leeftijd naar Brussel kwam om beeldhouwkunst te studeren, heeft met zijn verhalen over zijn vaderland en vooral over het gedrag van de Europeanen, de Amerikanen en de Japanners in het door de buitenlandse mogendheden in "concessies' opgedeelde Sjanghai een enorme invloed gehad op De Blauwe Lotus.

Tchang was er bijvoorbeeld in 1925 als student bij toen in Sjanghai een staking van arbeiders in de textielindustrie op verzoek van Japanse werkgevers met geweld werd gebroken door de politie van de Britse concessie. Daarbij werden tientallen stakers doodgeschoten. “Tchang heeft de traumatische ervaringen van wat in de geschiedenis bekend staat als 'het incident van 30 mei 1925' zeker aan zijn vriend Hergé verteld. Het verklaart een en ander over het feit dat, naast de Japanners, ook de Britten een minder fraaie rol spelen in De Blauwe Lotus”, aldus de schrijvers.

Tchang keerde in 1936 terug naar China en, zo schrijven de auteurs, hij zou, zoals elke Chinees van zijn leeftijd, in de daarop volgende decennia de grote omwentelingen meemaken. De Chinezen werden van hun bed gelicht voor achtereenvolgens de Duizend Bloemencampagne, de Grote Sprong Voorwaarts, de Grote Proletarische Culturele Revolutie, het verguizen van Confucius en Lin Biao, de Bende van Vier enzovoorts.

Van Nieuwenborgh ontmoette hem in 1981 in een oude kerk, waar zijn atelier was gevestigd. Thuis mocht idealist van weleer geen buitenlandse bezoekers ontvangen. “De goede heer Tchang, die steeds een diep gelovig man bleef, schaamde zich diep dat hij ons in deze gewijde ruimte moest ontvangen”, beschrijft Van Nieuwenborgh. “Op de plaats waar eens het hoofdaltaar had gestaan, stonden nu de beelden van een aantal ondertussen aan de kant gezette Chinese leiders. Met hun gezicht tegen de muur als gestrafte kinderen”.

Maar Tchang - die herkenbaar is op bladzijde 43 als het jongetje dat door Kuifje wordt gered van de verdrinkingsdood - was niet de enige Chinees die de avonturen van Kuifje in China kleurde. Op de achtergrond, zo hebben Van Nieuwenborgh en Chang ontdekt, speelden ook de opvattingen van de vroegere minister van buitenlandse zaken van China, Lou Tseng-Tsiang, een grote rol. Lou Tseng-Tsiang nam in 1919 deel aan de vredesconferentie van Versaille en moest onder zweet en tranen weerstand bieden aan de uitzinnige eisen van de Japanners.

Na het overlijden van zijn Belgische vrouw trok Lou Tseng-Tsiang zich, in de zuiverste confucianistische traditie, terug als monnik in de benedictijnenabdij van Sint-Andries in Loppem bij Brugge. De monnik kende Tchang en stond via tussenpersonen ook in contact met Hergé. Hij leende de tekenaar onder andere enkele werken uit zijn bibliotheek om hem de politieke toestand in China te verklaren. Ook dat maakt het niet moeilijk om te begrijpen waarom Kuifje in Shanghai uitsluitend Japanners van een bedenkelijk allooi tegenkomt. De in 1949 overleden Tseng-Tsiang schreef in zijn dagboek: “Als monnik ben ik er in geslaagd om afstand te nemen van het wereldse gebeuren maar het valt me zwaar om mijn gevoelens tegenover Japan te onderdrukken”.

Van Nieuwenborgh en Chang -die begin volgend jaar hoopt te promoveren op een proefschrift over Lou Tseng-Tsiang - geven ruiterlijk toe dat zij niet alle mysteries van Hergé hebben kunnen ontrafelen. Ze hebben wel een vermoeden waarom de brute Britse gevangenisbewakers werden ingeruild voor sikhs. Dat zal een kwestie zijn geweest van het tonen van "goodwill' aan de Britse autoriteiten.

Pas in 1983 - het jaar waarin Hergé overleed - werd De Blauwe Lotus op de Britse markt gebracht. In Japan is het nog steeds niet verkrijgbaar, terwijl in China geamputeerde piratenversies verschenen (zonder bijvoorbeeld de plaatjes waarop te zien is hoe pasgeboren babies in de rivier worden gegooid). Dat alles heeft evenwel niet kunnen verhinderen dat wereldwijd meer dan 3 miljoen exemplaren van het album zijn verkocht.

    • Wim Brummelman