ATLANTIC CITY; Een Beiroet zonder oorlog

"Quick' en "easy money' valt er te verdienen in Atlantic City, mistroostige badplaats aan de oceaan. De lichtkranten op de twaalf reusachtige casino's die langs het stadstrand staan, schreeuwen de belofte tot ver in de omtrek. Met hun felkleurige boodschappen- tassen en de handen zwart van de gokmunten komen de Edith Bunkers erop af.

Op zoek naar fortuin in het poor man's Las Vegas.

Atlantic City is te bereiken per Amtraktrain. Reistijd vanaf Penn Station tweeëneenhalf uur. Retour $ 24-$ 46. Reserveren noodzakelijk. Inl 09-1212 5826875. Er opereren vanuit New York talloze busmaatschappijen, die voor ca $ 19, dag- (of nacht-)trips organiseren. Ze worden door de casino's gesponsord, die voedselbonnen en-of speelgeld geven. Een hiervan is Guardian Tours. Gratis inl (binnen Amerika) 1-8606889191. Inlichtingen over de gamblebus van Eagle 09-12018 580080. Consulteer verder plaatselijke reisbureaus. Algemene inl: Greater Atlantic City Convention & Visitors Bureau 09-16093487130. American Great Vacations verzorgt voor $ 110 per persoon een treinretour vanaf New York en een overnachting in Taj Mahal. Inl 06-18003369244.

“Jump! Jump!” Gehoorzaam volgt de menigte de aanwijzingen van de luidsprekersstem op. Volgens de stem heeft de hond op de ongeveer tien meter hoge duikplank wat aanmoediging nodig - en jawel, dat klopt, enige seconden later stort het dier zich naar beneden. Het spectaculairste deel van de act is dan al achter de rug, want een duikende hond is nog tot daaraan toe. Even voor zijn sprong gaven een klein paardje (geen pony) en een muilezel het goede voorbeeld. Half en half wil ik wel toegeven speciaal daarvoor gekomen te zijn. De foto stond in deze krant, enkele maanden geleden. Vaag, onscherp, helemaal niet mooi gekadreerd, typisch de kiek van een anonieme persbureaufotograaf.

En nu zie ik het dan in het echt. Wapperende manen en staarten tekenen zich een oogwenk lang af tegen de helle lucht boven de Atlantische Oceaan, gestrekte voorbenen, de achterkant hulpeloos in het luchtledige: een silhouet uit een stripboek. Een plons in het enkele meters diepe zwembadje, maaiende hoeven boven het wateroppervlak en behendige handen die de dieren weer op het droge trekken, bezegelen de kortste kermisattractie die ik ooit gezien heb.

Er duiken weer paarden in Atlantic City, zij het slechts enkele malen per dag. Het herstel van de traditie heeft zelfs enkele heuse demonstraties van dierenliefhebbers tot gevolg gehad. Toen het stadje nog een kokette badplaats was, generaties geleden, voor de jaren vijftig in elk geval, was the diving horse nog niemand een doorn in het oog. Vanaf de jaren dertig sprongen op de Steel Pier, een permanente plek van volksvermaak, de hele dag door grote paarden van de duikplank. Op hun rug droegen ze pronte meiden in glitterpakjes, tot een van hen net naast het zwembadje te pletter viel en de dieren het voortaan zonder ruiters moesten stellen. Tot ook de paarden zelf verdwenen, in 1978. Geen enkele attractie kon het verval van de stad nog verdoezelen.

Nu, vijftien jaar later, lukt dat nog steeds niet, maar de meer dan 32 miljoen toeristen die Atlantic City jaarlijks bezoeken, maken de stad de poging waard. Niets van het met het oog waarneembare wijst daarop. Iedere bezoeker met ook maar het geringste gevoel voor menselijke waarden, zal, met de trein uit New York arriverend, de aanvechting hebben om onmiddellijk het station weer in te lopen en zich snel, snel, liefst sneller dan de tweeënhalf uur durende heenreis, terug naar de bewoonde wereld te laten brengen.

Atlantic City is een Beiroet zonder oorlog. Waar je ook kijkt staren gaten met beton er omheen terug. Half voltooide en door de aannemers in de steek gelaten nieuwbouw en grote braakliggende terreinen daartussen geven deze plek, die de naam stad niet verdient, de aanblik van een door en door verrot gebit. Vijfendertigduizend mensen, voornamelijk zwarten en hispanics, wonen in deze stenen woestenij, de helft minder dan aan het begin van deze eeuw. Onder hen bevinden zich minimaal - de tellingen lopen uiteen - duizend daklozen, die zich 's nachts ophouden in de bouwvallen en onder de fameuze boardwalk langs het strand. De stad heeft de hoogste kindersterfte van de Amerikaanse oostkust, en zij telt de meeste ongehuwde tienermoeders van de hele staat New Jersey. Onder zwarten en hispanics, uiteraard.

De armoede is beschamend groot en lijkt, in psychologisch opzicht, alleen maar groter geworden sinds de legalisering van de casino's. Ze staan, twaalf in totaal, met hun rug naar de troosteloze stad triomfantelijk uit te kijken over het strand en de oceaan. Fabrieken zijn het, van haastig in elkaar geschoven glas en aluminium, en voorzien van reusachtige, tot in de wijde omtrek zichtbare lichtkranten. Die adverteren om het hardst met easy, quick money, de bedragen vullen het hele scherm. Popart-schilderijen zijn het, kronen op het hoofd van snelle jongens met ondernemingsgeest.

Vijftien jaar staan ze er nu, even lang als de paarden zijn opgehouden te duiken. Op dat keerpunt in de geschiedenis besloten de bestuurders hun stad nieuw leven in te blazen. 1,25 procent van de brutowinst van de casino's zou de inwoners ten goede komen. Er zouden parken komen, sociale woningbouw, nieuwe scholen, theaters, banen ook en alle andere voorzieningen die een normale stad biedt en Atlantic City niet.

Toen niet en nu nog niet. De opening van de eerste supermarkt, dit najaar - dat toch zo vanzelfsprekend aanwezige oersymbool van Amerika - was voor de regionale kranten voorpagina-nieuws. Het mislukte Atlantic City, slechts elf vierkante kilometer groot, werd zelf een symbool. Casino-eigenaars die in andere steden voet aan de grond willen krijgen, wordt alleen nog gevraagd: “Welke garantie is er dat wij niet een tweede Atlantic City worden?”

Geen. Hoewel een stad er veel zelf aan kan doen. Door corruptie en wanbestuur zijn de 2,4 miljard dollar belastingen die de gemeente de afgelopen vijftien jaar geheven heeft over de jaarlijkse 3,2 miljard dollar brutowinst van alle casino's tezamen, voor alles aangewend behalve voor stadsvernieuwing en verbetering van de positie van haar inwoners. Van de veertigduizend nieuwe banen worden er bijna dertigduizend bezet door mensen die buiten de stad wonen en het leven van de neringdoenden is er door de torenhoge onroerend goedbelastingen alleen maar zuurder op geworden.

Toch schijnt er hoop te zijn, nog afgezien van die ene nieuwe supermarkt. Vlak achter de casino's zal voor 1997 een nieuwe stadswijk verrijzen, met alle voorzieningen die vijftien jaar geleden al beloofd werden.

Maar of de nieuwe beloften werkelijkheid worden of niet, voor wie oog heeft voor de schoonheid van het lelijke, is Atlantic City een must. Het is een onthullende stad. Iedere vorm van decorum is er verbannen, de treurigheid en de zinloosheid van het bestaan zijn er onontkoombare werkelijkheid. Een documentairemaker hoeft alleen maar zijn camera open te zetten aan de rand van de boardwalk - die vele, melancholiek stemmende kilometers tropisch hardhout die de stad van het water scheiden - en hij zal met het desnoods ongemonteerde resultaat de antropologische cineast Frederick Wiseman naar de kroon steken. Er zullen, als de filmrol vol is, veel gehandicapten en honderden Edith Bunker-achtige huisvrouwen gepasseerd zijn, hun handen zwart van de kwartjes die de slot-machines hebben opgeslokt en soms, net vaak genoeg om de gelukkigen steeds weer nieuwe kansen te laten wagen, hebben uitgespuugd. Ze sjokken voort met grote kleurige boodschappentassen, van het ene casino naar het andere, langs de ontelbare winkels die allemaal dezelfde plastic rommel uit Taiwan verkopen en waar alles slechts 99 dollarcent kost. En als de winst het toelaat nemen ze, zwijgend voor zich uitstarend, het elektrotreintje dat zich stapvoets een weg baant tussen de menigte.

Atlantic City is het poor man's Las Vegas. American Great Vacations verzorgt weekendtrips voor 110 dollar per persoon, treinretour vanaf New York en een overnachting in Donald Trumps uiterst comfortabele Taj Mahal inbegrepen. Eagle, een busmaatschappij, rijdt bejaarden direct van het loket waar zij hun oudedagsuitkering hebben opgehaald, in een gamblingbus voor zestien dollar van New York naar Atlantic City. Daarvan krijgen zij door de week van Trump twaalf dollar terug in de vorm van machinemunten, op zaterdag, als het drukker is, tien dollar.

Taj Mahal, gelegen naast het Showboat-casino, is ook een symbool: van Amerikaanse schaamteloosheid. Vernoemd en gemodelleerd naar het grafmonument dat Sjah Janah in de zeventiende eeuw voor zijn vrouw liet bouwen, in Agra, India, en dat door sommigen beschouwd wordt als het mooiste gebouw ter wereld, is Trumps versie zeker het lelijkste. Het is plompe, bordkartonnen kitsch in schreeuwende kleuren, een helse Efteling die vanaf geen enkele plaats in de stad te negeren valt. Onder de groteske uivormige torens aan de oceaanzijde geeft een brede wand van aluminium deuren direct toegang tot de speelhal. Daglicht dringt er niet door: de bezoeker mag op geen enkele manier aan de tijd herinnerd worden.

Want eenmaal binnen hoeft hij er nooit meer uit. Taj Mahal biedt alles, van de goedkoopste vijf dollar-maaltijd tot het duurste diner. De bezoekers dragen in zuurstokroze plastic emmertjes hun winsten mee naar het restaurant en kunnen na de maaltijd zo weer aan de slag. Het compleet uit marmer, kristal en glimmend messing opgetrokken paleis herbergt behalve vijftig pokertafels - wat een recordaantal schijnt te zijn - 1250 riante kamers en suites (er is al vergunning voor een nieuwe toren met nog eens 1000 kamers) en tal van luxueuze winkels. In de centrale hal, waar je door de omvang van het gebouw nu al slechts bij toeval belanden kunt, zijn optredens van bij voorbeeld Engelbert Humperdink en The Lawrence Welk Superstars en in de Casbah Lounge speelt pianiste Linda Genteel op verzoek, en indien gewenst eindeloos, Endless Love. En intussen is er de klok rond onberispelijke service, van kappers tot beautysalons, van restaurants tot magic carpet tours, een tocht achter de schermen van de nooit stilvallende machinerie van Taj Mahal. Mijn kamer bevindt zich op de 56ste verdieping, buiten tel ik slechts 23 etages.

De vijf voetbalvelden grote speelhal oogt, mede dank zij het onwaarschijnlijk drukke "Indiase' magic carpet, als een slagveld. Het is een oorlogsgebied, vol eenarmige slot-machines die, bij wijze van feestelijkheid, bij iedere uitkering oorverdovend rinkelen en zwaailichten in werking stellen. Het zijn robots, bediend door robots die eindeloos dezelfde handeling verrichten. Buiten is dank zij Trump de Steel Pier weer tot leven gewekt. Dat was een eis van het door schade en schande wijsgeworden stadsbestuur. Men kan er in race-auto's rondcrossen, "vijandelijke' tanks proberen onschadelijk te maken, en een roze konijn winnen in de ballentent die een heel leger van diezelfde roze konijnen tegen de achterwand heeft hangen. En men kan er weer paarden zien duiken, vier keer per dag. Er is dus hoop voor Atlantic City. De meeuwen die zich krijsend en massaal op je pizza storten voordat je er ook maar een hap van hebt kunnen nemen, hebben nu al niet te klagen.