Schaamte

Van de droevige hoopjes mens die in de hoeken van bijna alle metrostations hun roes liggen uit te slapen kijk ik na enkele weken Moskou net als de bewoners van de stad al niet meer op. Alcoholisme is een onderdeel van deze samenleving, zoals de smog dat is. Een last, maar onvermijdelijk. Toch zal de man die voor de ingang van station Komsomolskaja ligt me altijd bijblijven. Ik kijk die ochtend nog net even te goed naar hem en zie daarom dat uit zijn sjofele kleding ter hoogte van zijn buik een bruin plastic buisje hangt. Ongeveer vijftien centimeter lang is het. Het kost me enkele seconden om te beseffen dat het een catheter is. Er hangt een druppel aan het uiteinde en op de betonnen vloer eronder ligt een klein plasje vocht temidden van enkele uitgebeten kringen die doen vermoeden dat hij er al enige tijd zo bij ligt. Zelfs de van stront vergeven openbare toiletten van het Gorkipark hebben mijn maag niet zo kunnen omwoelen als dit aanzicht. Ik draai mijn hoofd weg, maar voel dat ik te laat ben. Walging, schaamte en maagzuur strijden in mijn lijf om voorrang. Toch red ik het ze alle drie binnen te houden en ik voeg me in de gehaaste stroom passanten die de ondergrondse ingaat. "Niet omkijken, niet opkijken' is hier het parool als in alle wereldsteden en ik begrijp weer eens waarom.

Ik weet inmiddels dat ik een van de weinige mannen ben die hun plaats in de metro nog afstaan aan vrouwen en ouden van dagen. Daarom baal ik extra als, nu ik ook eens zit, juist over mijn kennelijk te ver uitgestrekte been een oude man struikelt.

“Neem me niet kwalijk”, zeg ik en ondanks de pijnlijke situatie glim ik innerlijk toch even van trots. Mijn eerste ongedwongen conversatie met een echte Rus is een feit. Hij weet zich gelukkig staande te houden en knikt vriendelijk naar me. Zeventig schat ik hem. Hij moet eens een sterke kerel geweest zijn. Ik ben inmiddels gewend aan de haveloosheid die de oudere Russen kenmerkt. Voor een bejaarde Moskoviet zit hij zelfs nog goed in de kleren, al zien ze er uit alsof hij er de hele nacht mee door het stof heeft gekropen.

Hij komt naast me zitten en begint tegen me te praten. Ook drie weken intensieve lessen Russisch zijn te weinig om hem te volgen.

“Ik spreek Russisch, maar nog niet zo goed”, articuleer ik eufemistisch in een uitspraak die volgens mijn lerares nog het meest lijkt op de manier waarop haar landgenoten Engels spreken. Abominabel dus. Maar hij spreekt ook een woordje Duits en zo komen we een heel eind. “Woont u in Moskou?” dreun ik een lesje op. Ja en hij heeft drie kinderen en negen kleinkinderen. Wat ik hier doe, wil hij weten en dan zonder dat ik ernaar vraag, zegt hij: “Ik heb zeventien dollar pensioen per maand.”

“Dat is niet veel”, beaam ik beschaamd met minstens twee maandlonen losjes in mijn zak.

“En hoeveel verdient u?” vraagt hij.

“Oh, het heeft geen zin om dat te vergelijken. Bij ons is alles veel duurder”, probeer ik er onderuit te komen. Hij glimlacht weer.

“Zo'n duizend dollar”, lieg ik er nog een beetje af. Hij knikt slechts. Dan zijn we bij mijn halte. Ik sta op, twijfel, neem een gehaast besluit, schud hem de hand en stop hem daarbij ongemerkt voor de andere passagiers een vijfdollar-biljet toe dat ik toevallig los in mijn zak had. Als hij het merkt kijkt hij me verbaasd aan. Nee, schudt zijn hoofd, zijn ogen zijn groot van verwarring, daarvoor was hij er niet over begonnen. Ik schaam me voor de tweede maal die ochtend intens, maar knik hem toch bemoedigend toe. Hij sluit nu zijn hand en ik ren het gangpad uit. Ik kijk de metro na tot ik zeker weet dat hij me niet meer achterna kan komen.

    • Frank Poorthuis