OUD-STAATSSECRETARISSEN OVER PARLEMENTAIR ONDERZOEK GEZONDHEIDSZORG; "Staatssecretaris moet de tijd krijgen iets af te maken'

De Tweede Kamer buigt zich dezer dagen over de vraag of er een parlementair onderzoek naar het functioneren van de gezondheidszorg moet worden gehouden. Het idee is afkomstig van Th. Wöltgens, fractievoorzitter van de PvdA. Morgen wordt wellicht beslist over het al dan niet uitvoeren van het onderzoek, dat zich volgens Wöltgens moet richten op het steeds weer vastlopen van de besluitvorming in de sector. De centrale vraag zou moeten zijn “hoe het komt dat de verschillende initiatieven van achtereenvolgende regeringen, sinds de Structuurnota van staatssecretaris Hendriks in 1974 zo weinig tot structurele wijzigingen van het stelsel hebben geleid?” Oud-staatssecretarissen hebben hun bedenkingen. drs. D. Dees, staatssecretaris in het vorige kabinet en nu lid van de VVD-fractie, wil zich er niet over uitlaten. CDA-politica M. Gardeniers was als minister van volksgezondheid een jaar actief.

Als lid van de Raad van State, wil zij nu niet praten over “politiek actuele zaken”. J.P.M. Hendriks (KVP, mei 1973 - dec. 1977), mr. E. Veder-Smit (VVD, jan. 1978 - sept. 1981) en drs. J.P. van der Reijden (CDA, nov. 1982 - juli 1986) doen dat wel.

DEN HAAG, 20 OKT. Meer dan een "beperkt nut' ziet E. Veder-Smit niet. “Een voordeel van een onderzoek kan zijn dat de fractievoorzitters zich meer in de materie gaan verdiepen. Gezondheidszorg is lang een zaak geweest van de fractiespecialisten aan wie men het in goed vertrouwen overliet.” Veder-Smit noemt geen namen, maar knikt als de naam Wöltgens valt, de fractieleider die het idee voor een onderzoek lanceerde.

Zo'n onderzoek zal volgens de ex-politica niet resulteren in "geweldige ontdekkingen', “want de meeste dingen hebben zich in de openbaarheid of daar omheen afgespeeld.” Bovendien zijn talloze onderzoeken en analyses voorhanden die vaak een aardig beeld geven van het functioneren van de gezondheidszorg. “Als dit onderzoek in breder verband en objectief gedaan kan worden, met een heldere taakomschrijving en door de goeie mensen, wordt het resultaat wellicht beter aanvaard dan in het verleden.”

Veder-Smit ziet geen beletsel om een onderzoek door bijvoorbeeld de Nationale Raad voor de Volksgezondheid, de Ziekenfondsraad of de Rekenkamer te laten uitvoeren. “Die kunnen ook best, voor zover ze er zelf bij betrokken zijn geweest, de hand in eigen boezem steken. Ik heb in het algemeen meer vertrouwen in de adviesorganen dan de huidige politiek heeft. Je moet ze wel aan tijd binden en een duidelijke opdracht geven. Als je een open adviesaanvraag stuurt kan het jaren duren en dan gaat men onderling ruzie maken. Goed, de advies- en uitvoeringsorganen zijn wel eens te passief geweest. Ze hebben het bestaande systeem een beetje verfijnd, maar er zijn geen baanbrekende ideeën uit gekomen. Als je het middenveld iets toevertrouwt, moet men die handschoen natuurlijk wel oprapen.”

Het ergert Veder-Smit dat een staatssecretaris niet de tijd krijgt om iets tot een einde te brengen. “Elke vier jaar komt er een nieuwe staatssecretaris met zijn eigen filosofie. En vier jaar is veel te kort om die filosofie om te zetten in beleid, dat een grondslag te geven, door te voeren en dan te evalueren. Dat is nooit gelukt. Mijn filosofie, haaks op die van Hendriks, was "laat het veld het zelf doen, maar geef het kader aan. Hoeveel geld is er beschikbaar, in grote lijnen voor welke sectoren, waarborg de rechten van de patiënt en houd toezicht op de kwaliteit'. Dat vind ik een overheidstaak. Het gekke is dat die filosofie van een terugtredende overheid weer terug is.”

Behalve de wisselende denkbeelden die een consistent beleid in de weg staan ziet Veder-Smit het als een belemmering dat volksgezondheid steeds, met Gardeniers als uitzondering, aan een staatssecretaris wordt toevertrouwd. “Zijn of haar plaats in het kabinet en in het hele politieke spectrum is zwakker dan die van de minister. Een staatssecretaris kun je gemakkelijker laten vallen, je kunt gemakkelijk van zijn voorstellen afwijken. Als hij er niet is moet de minister de zaken verdedigen en dat kan nooit op dezelfde manier. Dat blijf ik een bezwaar vinden.”

Waarom wordt volksgezondheid vrijwel nooit aan een minister toevertrouwd? “Eén ding is heel duidelijk: de volksgezondheid is een politiek schadelijke functie. Men laat de staatssecretaris tegelijk bezuinigen en herstructureren. Dat is een fatale, nee, een moeilijke combinatie. Als je die heel ingewikkelde gezondheidszorg wil herstructureren heb je medewerking nodig. Dan kun je de mensen van wie je medewerking nodig hebt, niet tegelijkertijd tariefkortingen en weet ik wat meer opleggen. Die beroerde combinatie laat men nu een staatssecretaris doen en die brandt dan af in vier jaar. Ik wil niet zeggen dat ze allemaal afgebrand zijn, maar ze hebben allemaal toch behoorlijk veel energie moeten spenderen aan iets wat ze niet af kregen. En naar mijn gevoel, maar dat kan ik totaal niet bewijzen, is er ergens op Algemene Zaken, waar de dossiers van de kabinetsformatie liggen, een standpunt dat de volksgezondheid maar aan het eind geregeld moet worden.” Veder-Smit was een van de laatsten die een post in het eerste kabinet-Van Agt kreeg toebedeeld. Een week na de meeste andere bewindslieden werd ze beëdigd. “Bij de kabinetsformatie is er een traditie om volksgezondheid als sluitstuk te beschouwen.”

Van beroepsgroepen in de gezondheidszorg ondervond Veder-Smit niet “de grote weerstand”. Die kwam vooral van patiënten en patiëntenorganisaties, bijvoorbeeld tegen invoering van eigen bijdragen. Het maatschappelijk draagvlak voor bezuinigingen is nooit groot geweest, onderstreept Veder-Smit. “Want zodra je ergens een ingreep doet komen belangenbehartigers in het geweer, men gaat naar de rechter en men wint het dikwijls. Iedereen wil gauw geholpen worden.” En van de arts die de slechte boodschap moet brengen, bijvoorbeeld dat hij een patiënt pas over een half jaar kan opereren, hoef je ook niet veel medewerking te verwachten.”

Veder-Smit ging nooit rollend met de specialisten over straat. Zij liet een commissie onder leiding van de oud-voorzitter van de Landelijke Specialisten Vereniging, Van Mansvelt, een rapport maken over de honorering van de specialisten. “De belangrijkste aanbeveling was dat het verrichtingensysteem getemperd moest worden. De honorering moest in twee delen worden gesplitst; een abonnementsdeel en een verrichtingendeel. Dat is er toen niet van gekomen. Omdat we aan het eind van onze regeringsperiode zaten en omdat de politiek zich op de gegevens van de honorering wierp en minder op de structuur. Dat vond ik heel jammer.” Veder-Smit heeft de overtuiging dat ze dat karwei had kunnen afmaken in een volgend kabinet. “Het duurt een tijd voor je verwerkt hebt wat er van je voorganger lag en voor je je eigen ideeën panklaar in de vorm van wetgeving bij de Kamer hebt. Ieder begint opnieuw, Simons moet z'n specialistendossier ook weer doorgeven aan zijn opvolger, met alle tijd- en energieverlies van dien. Dat is gewoon verschrikkelijk.”

    • Ward op den Brouw