Omvangrijke prentkunstcatalogus van Hollstein nadert voltooiing

De belangrijkste catalogus van Nederlandse en Vlaamse prentkunst van 1450 tot 1700, 'de Hollstein', nadert zijn voltooiing. Inmiddels is de uitgever begonnen met de heruitgave van de eerste veertien delen, die "The New Hollstein' gaat heten. Het eerste deel, met het prentwerk van Maarten van Heemskerck, verschijnt vandaag.

Hij staat onder handbereik van elke handelaar in prenten en van elke kunsthistoricus die zich bezig houdt met oude grafiek: "de Hollstein.' In 43 groene, Engelstalige delen behandelt hij het gedrukte werk van alle Nederlandse en Vlaamse kunstenaars tussen 1450 en 1700. De volgorde is alfabetisch, op naam van de kunstenaar, en loopt nu tot halverwege de V. Universiteitsbibliotheken houden een plank vrij voor de tien delen die naar verwachting nog zullen komen, prentenkabinetten in de hele wereld herordenen hun bezit na de verschijning van een nieuwe band.

Deze Van Dale onder de prentencatalogi is het geesteskind van Friedrich Hollstein (1888-1957), een in 1937 naar Amsterdam uitgeweken Berlijner. Als handelaar en voormalig veilinghouder had Hollstein in de loop der jaren een uitgebreide privédocumentatie opgebouwd. Op grote systeemkaarten hield hij bij welke prijzen diverse staten (gewijzigde drukgangen) van bekende en minder bekende prenten opbrachten en verzamelde hij kunsthistorische gegevens. Het was op aanraden van kenners dat hij besloot zijn systeem nog verder uit te breiden en te publiceren. Het eerste deel verscheen in 1949.

Hollstein koos voor een opzet die voor zijn tijd revolutionair was. In tegenstelling tot de negentiende-eeuwse handboeken, die zich beperkten tot de grote meesters en de graveurs die hun eigen ontwerpen uitvoerden, besloot hij wel de prenten te behandelen van de vele graveurs die werkten naar de 'inventies' van anderen. Ook de minor masters gunde hij een plaats. Zijn werkwijze week daarmee sterk af van die van bijvoorbeeld Adam von Bartsch, wiens beroemde 21-delige standaardwerk Le peintre-graveur, dat verscheen tussen 1803 en 1821, wel de gehele Europese prentkunst beschrijft, maar zich beperkt tot de toppen. 'De Bartsch' beschrijft elke prent bovendien alleen in woorden: Hollstein nam het destijds vernieuwende besluit om alle belangrijke prenten af te beelden.

Met grote haast werkte hij na 1949 door. Zelfs in het hartje van de winter, als de meeste andere bezoekers de onverwarmde studiezaal van het Amsterdamse Rijksprentenkabinet meden, zat Friedrich Hollstein op zijn vaste plaats. In een dikke winterjas. Hij was in 1949, toen hij volgens zijn eigen planning nog 24 delen te gaan had, immers al 61 jaar oud. In 1954 was hij bovendien ook nog begonnen aan een 'Duitse Hollstein', die voor dezelfde periode de prenten van Duitse kunstenaars beschrijft. Bij zijn dood in 1957 waren er 14 Nederlandse delen klaar en vijf Duitse.

Na zijn dood nam de latere directeur van het Rijksprentenkabinet, K.G. Boon, de leiding van de Nederlandse Hollstein over. De Duitse wordt tegenwoordig geredigeerd in München. Boon besloot, met toestemming van de nieuwe uitgever, A.L. van Gendt, om de beschrijvingen van de prenten te verfijnen, bijvoorbeeld door verschillende staten nauwgezetter te documenteren. Bovendien zouden de volgende samenstellers voor het verzamelen van de op te nemen prenten langs alle belangrijke Europese prentenkabinetten gaan reizen, in plaats van zich zoals Hollstein te baseren op de Amsterdamse collectie.

De huidige redactie beeldt inmiddels vrijwel alle prenten af. Na enige vertraging in de jaren zestig en zeventig verschijnen er nu weer twee delen per jaar: afgelopen maand kwam het deel tot en met Lucas Vorsterman I gereed. Binnen vijf jaar hoopt de huidige samensteller, de kunsthistoricus Christiaan Schuckman, de kopij voor het laatste deel in te leveren bij de huidige uitgever, Koninklijke Van Poll in Roosendaal.

De verschillende delen weerspiegelen tot op zekere hoogte de veranderende kunsthistorische normen. Met het verstrijken van de jaren bleken de vroegste delen dan ook steeds minder aan de tegenwoordige eisen te voldoen. De uitgever besloot daarom om de door Hollstein zelf samengestelde boeken opnieuw te laten bewerken. De vernieuwde reeks, die zal lopen tot en met Crispijn de Passe, heet officieel "The New Hollstein'. Ger Luijten, Hoofd Prentkunst van het Prentenkabinet en redacteur van de Nieuwe Hollstein: “We hebben echter de vrijheid genomen om niet met de A te beginnen, maar met de kunstenaars van wie een complete catalogus het hardst nodig was. Allereerst met Maarten van Heemskerck, een van onze grootste zestiende-eeuwse grafiekontwerpers. Bovendien zijn we van plan om af en toe ook gastauteurs uit te nodigen.” Dit eerste Heemskerckdeel en het vervolg, dat komend jaar verschijnt, is samengesteld door de Amsterdamse hoogleraar en Heemskerck-specialiste Ilja Veldman.

Sinds de jaren zeventig zijn kunsthistorici zich bewust van de belangrijke rol die uitgevers in de zestiende en de zeventiende eeuw speelden als stimulatoren van de prentkunst. De uitgevers, vaak een soort kunsthandelaren, verzochten kunstenaars om prenten te ontwerpen, die zij vervolgens door anderen lieten uitvoeren en afdrukken. Op veel prenten staan zowel de ontwerper als de graveur en de uitgever vermeld. Bij de in de prentkunst ook in de Hollstein- traditionele ordening op de graveur verdwijnt de rol van de 'inventor' echter geheel uit het zicht. Schuckman: “Daarom willen we bij uitzondering voor enkele belangrijke ontwerpers, zals Maarten de Vos, Stradanus en Abraham Bloemaert, de werken ordenen op ontwerper.” Ook in het vandaag verschenen deel van Van Heemskerck is dat al gebeurd. “Heemskerck is een extreem geval. Hij heeft waarschijnlijk niet één prent zelf gemaakt. In de oude Hollstein vond je onder zijn naam slechts een handjevol aan hem toegeschreven werken, in twee de nieuwe delen zijn 600 van zijn inventies geïllustreerd.”

    • Kitty Kilian