Knuppel leidt tot escalatie

Onlangs is enige commotie ontstaan over de uitlatingen van de korpschef van het Utrechtse politiekorps, de heer J. Wiarda. Hij heeft gezegd dat middenstanders zich weerbaar zouden moeten opstellen tegenover criminelen en zich daartoe zouden moeten bewapenen met bijvoorbeeld een honkbalknuppel.

De heer Wiarda, kennelijk geschrokken van de ontstane opwinding, heeft vervolgens zijn uitlatingen getracht te nuanceren. Nu blijkt hij op de opiniepagina (NRC Handelsblad 15 oktober 1993) weer op die nuancering terug te komen. Uit zijn bijdrage blijkt immers dat hij niet alleen voorstander is van "burgerlijke weerbaarheid' maar daarbij nog altijd de knuppel niet schroomt.

Ofschoon het lofwaardig is discussies op gang te brengen (als deze althans maar zinvol zijn) moet geconstateerd worden dat Wiarda vooral en in de eerste plaats ervoor pleit de geweldspiraal in ons land, die zich toch al opwaarts beweegt, nog verder omhoog te brengen. Het laat zich immers raden waarmee de eventuele opponent van de middenstander, wetende dat deze laatste zich heeft bewapend met een knuppel (waarom overigens niet met een echte wapenstok of ander echt wapentuig? Zou de korpschef daarvoor vergunning verlenen?) zich gaat uitrusten. Wat moet daarop vervolgens het antwoord zijn? Een vuurwapen? Wiarda brengt de burger in een nog lastiger parket dan waarin deze zich toch al bevindt. Het is immers nog maar de vraag of de rechter in het gegeven geval een beroep op noodweer zal honoreren. Wiarda gaf dit zelf ook al aan. Daar komt bij dat ook een honkbalknuppel - op zichzelf een voorwerp met een aanvaardbare maatschappelijke bestemming, namelijk honkbal spelen - in de gegeven omstandigheden een (verboden) wapen is in de zin van de wapenwetgeving. Men zie artikel 2, onder categorie IV, van de Wet wapens en munitie: “Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen”. Wiarda laat de burger dus met de brokken zitten.

De vraag rijst overigens of hier niet tot misdrijf is aangezet. Het zou interessant zijn na te gaan waartoe vervolging in dit geval zou leiden.

De jongste uitlatingen van diverse prominente politiefunctionarissen geven trouwens weer eens duidelijk aan hoe de verhoudingen liggen: Brand, Nordholt en Hessing verklaren, vanonder de Arubaanse palmen, de georganiseerde misdaad krachtig te zullen gaan aanpakken, Wiarda gooit een knuppeltje in het Hollandse hoenderhok.

De vraag rijst welke feitelijke gevolgen deze retoriek heeft voor de veiligheid van de burger. Korpschefs zouden moeten ophouden met het, vooral publicitair, inspelen op gevoelens van onveiligheid, maar moeten doen waarvoor zij worden betaald: ervoor zorgen dat de politiezorg in ons land zodanig is dat de veiligheid van burgers verbetert. Daarmee is het voorlopig nog droevig gesteld.