Herziening adelsrecht brengt ons chaos

Lange tijd stuitten pogingen van het CDA en D66 om het historische adelsinstituut wat eigentijdser te laten functioneren op een vastberaden "njet' van minister Dales. Niettemin aanvaardde de Tweede Kamer vorige maand twee "reformistische' amendementen van het CDA. Maar die sluiten nauwelijks aan bij het historische adelsrecht. Het woord is nu aan de Eerste Kamer.

Even leek het of alles in adellijk Nederland bij het oude zou blijven. Bij de verdediging van het wetsontwerp op de adeldom bleef minister Dales bij haar standpunt dat iedere aanpassing van het adelsbeleid uit den boze zou zijn. Geen gelijke behandeling voor vrouwen of adoptief kinderen, geen nieuwe adelsverheffingen voor verdienstelijke burgers. Iedere poging van het CDA of D66 om het historisch adelsinstituut op een iets meer eigentijdse wijze te laten functioneren, strandde bij voorbaat op het "njet' van de minister.

Bij het Kamerdebat op 14 september leken de kaarten al geschud: Minister Dales zou de wet ongeschonden door de Tweede Kamer krijgen. Zo berichtten de media althans. Bij de stemmingen over het wetsontwerp op 21 september werden echter met steun van CDA, CD, D66 en PvdA onverwachts twee amendementen van het CDA-Kamerlid Van der Burg aangenomen. Het eerste amendement 21485 nr 12 stipuleert dat adeldom ook volgens de bestaande regelingen over gaat op buiten het huwelijk geboren kinderen. Adeldom gaat dus ook over op natuurlijke en adoptiefkinderen. Want het is wenselijk dat de ontwikkelingen in het Nederlandse personen- en familierecht ook van toepassing zijn op de natuurlijke en adoptiefkinderen van personen die tot de Nederlandse adel behoren, en dat zij daarmee niet langer een uitzondering vormen in de Nederlandse rechtsorde.

Volgens het tweede amendement 21485 nr 13 wordt adeldom vermeld op officiele documenten waar dit vereist is, tenzij de betrokken persoon verzoekt de vermelding achterwege te laten of te verwijderen. Op het eerste gezicht is dat weinig opzienbarend. Het klinkt allemaal als een soort uitvoeringsregeling voor de achternaam. Maar wat zijn nu de consequenties voor het oud-vaderlandse adelsrecht?

Allereerst moeten we daarvoor kijken naar de bestaande regels voor het vererven van adeldom. Vanaf de middeleeuwen heeft als principe gegolden dat kinderen van gehuwde edelvrije (adellijke) ouders van adel waren. Ook kon het gebeuren dat de adeldom overging als alleen de vader of alleen de moeder edelvrij waren. In het laatste geval werd dan het Romeinsrechtelijke principe "partus sequitur ventrem' gevolgd, ofwel "le ventre anoblit'. Buitenechtelijke kinderen van een edelman, die formeel waren erkend, kregen als bastaarden een semi-adellijke status, maar buitenechtelijke kinderen van een jonkvrouwe werden onherroepelijk gediskwalificeerd. Als historisch criterium voor de vererving van blauw bloed geldt dus de biologische afstamming van adellijke ouder(s) en het juridisch bewijs daarvan door huwelijk.

Bij de codificatie van het Nederlandse adelsrecht in 1814 is dit principe vastgelegd in het dubbelvereiste "wettige afstamming'. Dit laat adelsvererving zowel via de man als via de vrouw toe. Aangezien de adellijke geslachtsnaam in Nederland echter via de man overgaat, heeft de regering tot dusver de restrictieve interpretatie van de Hoge Raad van Adel "wettige afstamming in de mannelijke lijn' gevolgd. Om uitsterven van het Huis van Oranje-Nassau te voorkomen is dit begrip sedert 1901 echter herhaaldelijk extensief uitgelegd ten gunste van de vrouwelijke lijn. In het kader van gelijke behandeling en de bescherming van historische naam-titel combinaties valt daarom een soortgelijke ontwikkeling te verwachten bij de invoering van het nieuwe naamkeuzerecht. Het historisch verervingscriterium blijft zowel voor het Koninklijk Huis, als de oude zwaard- en de 19de-eeuwse briefadel onverkort "wettige afstamming'.

Nu zijn er binnen adellijke gezinnen altijd kinderen geweest die op een of andere manier niet aan dit dubbelvereiste voldeden. Een adoptief kind heeft wel de staat van wettig kind, maar is geen biologische afstammeling. Een buitenechtelijk kind van een adellijke vader of moeder is wel een afstammeling, maar heeft weer niet de staat van wettig kind. Een pleegkind is geen wettige afstammeling, maar draagt vaak wel de adellijke geslachtsnaam. Koning Willem I repareerde zo'n manco door het kind bij KB naamswijziging en adeldom te verlenen. In feite vond dan een verheffing in de adelstand plaats.

Bij geheim kabinetsbesluit werd in 1953 echter besloten dat adelsverheffingen achterwege dienden te blijven, zodat deze pragmatische oplossing voor een emotioneel probleem _ de eenheid van het adellijk gezinsverband _ niet langer kon worden gevolgd. Het huidige wetsontwerp op de adeldom kent alleen nog voor leden van het Koninklijk Huis de mogelijkheid om in de adel te worden opgenomen. Om nu toch gelijke behandeling voor deze kinderen in het adelsrecht mogelijk te maken, diende Van der Burg een amendement in waardoor adeldom volgens de bestaande regelingen ook overgaat op buiten het huwelijk geboren adoptief en natuurlijke kinderen.

De vraag rijst wat onder "de bestaande regelingen' nu precies moet worden verstaan. Het Nederlandse adelsrecht bestaat uit een verzameling stokoude Souvereine en Koninklijke Besluiten, die deels hun werking verloren hebben, deels een onduidelijke betekenis hebben. Het was de bedoeling van de Wetgever bij de Grondwetsherziening van 1983 om met de nieuwe adelswet voor de nodige duidelijkheid en regelmatigheid in het adelsbeleid te zorgen. De regering stelde echter een summier kaderwetje op, dat voor de rest weer doorverwees naar deze oude regelingen. De Tweede Kamer is daarmee akkoord gegaan, hoewel bij de behandeling van het wetsontwerp bleek dat zelfs een belangrijk stuk adelsrecht (KB 18 december 1815 nr. 46) op merkwaardige wijze was zoekgeraakt. Hierin wordt naast "wettige afstamming' namelijk ook nog het dragen van de adellijke geslachtsnaam als vereiste voor adeldom gesteld.

Kortom er gelden nog steeds drie verschillende regelingen: "alle wettige afstammelingen', "alleen wettige afstammelingen in de mannelijke lijn' en "alleen wettige afstammelingen die de adellijke geslachtsnaam dragen'. Welke bestaande regel moet nu worden toegepast bij het amendement-Van der Burg?

Laten we voor het gemak de interpretatie van de Hoge Raad van Adel volgen: dus "alleen wettige afstammelingen in mannelijke lijn'. Dat wil zeggen: geen adelsvererving via gehuwde adellijke vrouwen, geen adeldom voor buitenhuwelijkse kinderen en het dragen van de adellijke geslachtsnaam speelt geen rol. Door het amendement-Van der Burg wordt de buitenechtelijke zoon van Markies de Canteclaer bij juffrouw Doddel nu een heuse Markies Doddel. De edelman kan het markiezengeslacht de Canteclaer de Barneveldt echter ook voor uitsterven behoeden door de jonge Markies Olivier Doddel als zijn zoon te erkennen (trouwen met Doddeltje is niet nodig) waardoor jonker Olivier weer een Markies de Canteclaer de Barneveldt wordt.

De wettige kinderen van de zuster van de Markies en dr. Zielknijper blijven niet-adellijke Zielknijpertjes. Maar wanneer de Markiezin en dr. Zielknijper besluiten tot een niet-huwelijkse samenleving dan zijn diezelfde kinderen Markiezen Zielknijper, indien zij door hun vader worden erkend. Maar wanneer Zielknijper daar nu eens geen zin in heeft, dan worden zij in het filiatieregister bij de Hoge Raad van Adel ingeschreven als Markiezen en Markiezinnen de Canteclaer de Barneveldt. In vrouwelijke lijn wel te verstaan. Ziedaar het eindeloos scala van ongekende mogelijkheden waartoe de wetgevende arbeid van onze minister en Tweede Kamer leidt. Voor wie dit te gortig is, kan het tweede amendement-Van der Burg uitkomst bieden. Hij of zij kan bij de gemeente een verzoek indienen om zijn adellijke titulatuur in alle officiele documenten achterwege te laten.

Daarmee is de publiekrechtelijke betekenis van adel in Nederland tot een minimum teruggebracht. Het adelsrecht wordt misschien nog een lucratief spel voor advocaten die de adellijke status van buitenechtelijke prinsekinderen willen claimen. Want ook het punt van terugwerking heeft de wetgever niet geregeld: is het amendement constitutief of declaratoir?

Het is duidelijk dat het amendement-Van der Burg/CDA aanzienlijk verder strekt dan het amendement-Scheltema van D66. Dit beoogde slechts iets mogelijk te maken wat adelsrechtelijk reeds lang kon, namelijk adelsvererving voor wettige afstammelingen in vrouwelijke lijn; al dan niet in combinatie met de adellijke geslachtsnaam. Minister Dales had dit D66-amendement echter ontraden, omdat adelsvererving via de vrouw historisch niet gelegitimeerd zou zijn en bovendien in adellijke kring meer omstreden dan de andere moderniseringsvoorstellen. De CDA-amendementen gaan echter verder dan het elimineren van ongerechtvaardigde verschillen in behandeling. Ze sluiten ook nauwelijks aan bij het historisch adelsrecht. Kennelijk heeft men bewust of onbewust over de consequenties van deze wijzigingsvoorstellen in de Kamer geen publiek debat willen laten ontstaan. Hoewel minister Dales ze beide had ontraden, liet zij het "onaanvaardbaar' niet horen. Het woord is nu aan de Eerste Kamer.

    • Jan Taets van Amerongen