Gaswinning op Waddenzee: markt in botsing met milieu

DEN HAAG, 20 OKT. Van de totale, officieel verwachte gasreserves in het Waddengebied, die variëren van 72 tot 221 miljard kubieke meter, kan ongeveer de helft met boringen vanaf het vasteland en de Waddeneilanden worden bereikt. Economische Zaken onderstreept in het gisteren gepubliceerde rapport van de Stuurgroep Mijnbouwactiviteiten in de Waddenzee - dat de milieu-effecten en de economische belangen van gaswinning inventariseert - de noodzaak om alle reserves te winnen. Daarmee kan namelijk de voorraad in het grote gasveld in Slochteren zo lang mogelijk worden gespaard. Dan zijn er ook goede mogelijkheden om gas van verschillende kwaliteit uit alle kleine velden te mengen tot een de “vereiste marktkwaliteit”.

Ook waarschuwt het ministerie dat Gasunie de totale hoeveelheid van 300 miljard kubieke meter die volgens de Rijksgeologische dienst nog in alle kleine velden samen kan worden aangetoond al heeft ingeboekt in haar Plan van gasafzet en dus ook in de exportverplichtingen. Geen of beperkte winning in het Waddengebied zou betekenen dat Gasunie mogelijk gas moet importeren om aan die verplichtingen te voldoen. Een ander argument is dat de al afnemende werkgelegenheid in de exploratiesector verder onder druk komt te staan. De directe werkgelegenheid in exploratie en winning beloopt tussen de 8.300 en 11.000 manjaren. Inclusief toelevering en "herstelmaatregelen' in het noorden gaat het om 32.300 tot 33.500 manjaren, gespreid over dertig jaar.

Als exploratie en winning in het gebied zelf worden toegestaan, zijn in totaal elf boringen op de Waddenzee nodig, te spreiden over vijf jaar met een maximum van twee per jaar. De daarvoor benodigde platforms worden in het rapport “zeer overheersend” in het landschapsbeeld genoemd. Verontreinigingen van lucht, water en bodem zullen zeer gering tot nihil zijn, omdat de oliemaatschappijen veel maatregelen nemen om deze te beperken en schadelijke stoffen af te voeren. Verontreiniging van het milieu als gevolg van een breuk in de noodzakelijke pijpleidingen wordt niet geheel uitgesloten. Verstoring van de rust voor de vogels wordt zoveel mogelijk voorkomen door de licht- en warmtebronnen op de boortorens af te schermen.

Wel is een vermindering van de fourageer-mogelijkheden voor vogels voorzien, door de bodemdaling. In het Zuidwalgebied, waar al een produktieplatform staat, is die afname bijvoorbeeld een half uur per dag. In sommige lokaties kan verstoring van zowel zwemmende vogels als steltlopers optreden. Het ingraven van pijpleidingen en baggerwerk kan ook een tijdelijk verlies van de bodemfauna veroorzaken. Dat betekent “enige hinder” voor de mossel- en kokkelvisserij.

Risico's kunnen zich voordoen, als gevolg van ongelukken, een explosie, een blow-out (ongecontroleerde uitstroming van stoffen uit een boorgat) of een aanvaring, maar de statistieken wijzen uit dat er relatief weinig ongelukken gebeuren bij de diepe delfstofwinning, aldus het rapport. De olieconcerns doen veel aan beveiliging en technische maatregelen om incidenten te voorkomen. Op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat zijn tot en met 1992 956 boringen uitgevoerd, zonder dat blow-outs voorkwamen.

De Stuurgroep verwacht dat de bodem van de Waddenzee als gevolg van gaswinning plaatselijk 16 tot 24 centimeter daalt, waardoor het ecologisch evenwicht wordt verstoord als er geen maatregelen worden genomen. Tegelijk zal er met de vloedstroom veel zand worden aangevoerd naar de "kom' die geleidelijk ontstaat, terwijl de ebstroom dit zand niet allemaal weer naar buiten brengt. Het resultaat is dat een "zandhonger' in de kom van tientallen miljoen kubieke meters ontstaat, die door kunstmatige suppletie moet worden aangevuld.

Het areaal aan "wadplaten' (het gedeelte van de bodem dat bij laag water droogvalt en waarop de volgels fourageren) zal volgens het rapport verminderen met maximaal 1 procent. Bij een versnelde zeespiegelstijging van 60 centimeter per eeuw kan dit tot enkele procenten oplopen. De kwelders langs de kusten van de eilanden en het vasteland zullen naar verwachting door "opslibbing' het tempo van bodemdaling grotendeels kunnen volgen, wanneer waterstaatkundige werken ter plaatse worden aangepast.