Drugs makkelijker te pakken dan de winst

ROTTERDAM, 20 OKT. Het werkelijk witwassen van criminele vermogens gebeurt zeker niet alleen via banken of geldwisselkantoren. Het blijft aantrekkelijker en vaak ook eenvoudiger om crimineel geld te investeren in bijvoorbeeld de horeca.

Het is voor de fiscus of voor justitie nauwelijks te controleren of een bepaalde omzet van een restaurant een reële is of dat de "winst' wordt aangevuld met crimineel geld. Het enige nadeel voor een criminele organisatie is dat dan wel over de omzet keurig belasting moet worden betaald maar het geld is in ieder geval gewit.

Crimineel geld wordt volgens justitiële schattingen ook royaal geïnvesteerd in onroerend goed. Men koopt een pand, brengt lichte verbeteringen aan en verkoopt het aan een derde, een handlanger, met een behoorlijke winst. Het criminele geld wordt nu gewit door het te verantwoorden als winst op onroerend goed transacties. In recente rapporten van de Centrale recherche informatiedienst wordt gewaarschuwd voor de rol die notarissen en advocaten spelen bij het bedenken en het helpen uitvoeren van dit soort witwasconstructies.

De criminele omzet in Nederland is een paar jaar geleden geschat op tien miljard gulden. Sinds een jaar melden banken, vooruitlopend op wettelijke maatregelen, vrijwillig de zogeheten ongebruikelijke, verdachte, transacties bij de CRI. Uit een eerste evaluatie van dit project blijkt dat 60 procent van de aangemelde transacties inderdaad na onderzoek een crimineel karakter blijken te hebben.

Probleem bij justitie blijft evenwel een gebrek aan deskundigheid bij het opsporen en aanpakken van financiële constructies hoewel er in toenemende mate wordt samengewerkt met mensen van de FIOD. “Maar”, aldus een officier van justitie “voor een politieman blijft het natuurlijk eenvoudiger een koerier met kilo's drugs op heterdaad te betrappen dan het ontmantelen van het financiële netwerk dat zijn bazen met behulp van drugsgelden opzetten”.

Voor justitieel onderzoeker P. van Duyne roept het wisselen van "misdaadgeld' in wisselkantoren vooral vraagtekens op. Hij signaleert “een bedrijfsvoerings-probleem”. “Er komen mensen bij die wisselkantoren met sporttassen vol "straatgeld'. Brits geld in kleine coupures wordt in sporttassen binnengebracht. Dat is onzakelijk.” Van Duyne wijst erop dat er met het geld een lange weg is afgelegd en het risico van een ongemakkelijk grensovergang bij de Britse douane is genomen. Zij hebben de regeling bij vaststelling van grote geldsommen naar de herkomst te vragen. Kan die herkomst niet bevredigend worden aangegeven dan wordt het geld veastgehouden.

“Waarom worden die kleine coupures niet in Engeland in grote coupures omgezet en vervolgens in Engeland zelf "gesmurfd'?” ("Smurfen' is het in kleine bedragen verdelen van een groot bedrag. Wanneer kleine bedragen bij verschillende banken worden gestort wekt dat minder argwaan dan wanneer in een keer een groot bedrag wordt gestort. Red.) Smurfen, aldus Van Duyne, vereist wel een organisatie en het is de vraag of de Britse handelaren daarover beschikken.

Het enige voordeel dat Van Duyne bij het wisselen ziet is "omvangvermindering'. “Kleine Britse flappen worden veranderd in grote Nederlandse flappen.” De aanleverancier heeft minder te sjouwen. De wisselaar gaat vervolgens met de Britse valuta naar banken of wisselkantoren in de Benelux waar de ponden weer in guldens worden omgezet. Daarvan wordt dan weer een deel in nederland gestort.

Van Duyne noemt deze gang van zaken “omslachtig en kostbaar”, omdat van het aangeboden bedrag nog 15 procent aan wisselkosten moet worden afgetrokken. “Maar het voldoet wel aan een bepaalde vraag”. De belangrijkste reden die hij vooralsnog voor deze "doorsluis'-activiteit kan bedenken is dat er blijkbaar op de misdaadmarkt sprake is van "overliquiditeit'. Uiteindelijk zal dat veranderen naar een verschuiving naar een andere beroepsmatige aanpak.

Een woordvoerder van de Centrale Recherche-informatiedienst (CRI) meent dat een wisselkantoor “één van de schijven” is waarlangs misdaadgeld wordt gesluisd. Hoe meer schijven des te beter de herkomst van het misdaadgeld versluierd kan worden, aldus de CRI-woordvoerder. Ook zij wijst op de omvangvermindering als voordeel.

De advocaat van de Israelische hoofdverdachte, mr. A. Moszkowicz, vraagt zich af hoe sterk het openbaar ministerie in deze zaak eigenlijk staat. “Mijn cliënt is oprichter van de Nederlandse Vereniging van Wisselkantoren. Voor een wisselkantoor is geen vestigingsvergunning nodig, en een wisselkantoor heeft geen meldingsplicht zoals de banken”. De Israelische verdachte, M.E., is heling, oplichting, valsheid in geschrifte, betrokkenheid bij handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.