De ziel

“Bij het afdrogen”, noteerde John Cheever in zijn dagboek, “denk ik aan mijn dode moeder in haar graf; en ik zie de dood als een klemmende eenzaamheid, waarvan de ergste eenzaamheid die wij in het leven kennen slechts een flauwe afspiegeling is; de ziel verlaat het lichaam niet, maar houdt het gezelschap in elk stadium van ontbinding en vergetelheid, in hitte en kou en lange nachten.”

Natuurlijk, dat is het, de volstrekte gruwel, iets waaraan je koste wat kost moet zien te ontkomen.

Dan herinner je je dat prachtige boek van Benno Barnard, Het gat in de wereld, een citaatje van Italo Svevo, woorden die hij zou hebben gesproken op zijn doodsbed, o ja: “Sterven is eenvoudiger dan een roman schrijven”.

En natuurlijk, dat is het ook, een fluitje van een cent, een kunstje dat iedereen kan, iets waarbij je je gerust kunt neerleggen.

Je denkt weleens dat over dit onderwerp uitsluitend onzin wordt beweerd. Tegelijkertijd is al die onzin, ook de meest tegenstrijdige, kennelijk wáár!

Iemand zegt: wat heb je het toch vaak over de dood tegenwoordig. Maar verder, zeg ik terug, gaat het goed met mij. We hebben elk een glas met rode wijn om ons aan vast te houden. We grijnzen naar de schaal met hapjes die in onze richting komt. En praten maar en praten maar.

    • Koos van Zomeren