Wetgeving keuringen is nuttig en nodig

Moet de wetgever het verschijnsel medische keuringen aan banden leggen en de positie van mensen die aan keuringsonderzoek worden onderworpen versterken? De vraag is actueel nu J. Kohnstamm, kamerlid voor D66, eind augustus een initiatief-wetsvoorstel met een dergelijke strekking bij de Tweede Kamer heeft ingediend. H.C.Q. van der Giessen noemde dit wetsvoorstel op 4 oktober in deze krant "volkomen overbodig'. Die stelling vraagt om bestrijding.

Het voorstel van Kohnstamm heeft betrekking op medische keuringen in de sfeer van arbeid (aanstellingskeuringen) en bij het afsluiten van bepaalde particuliere verzekeringen (leven, arbeidsongeschiktheid). Voor wat betreft aanstellingskeuringen onderbouwt Van der Giessen zijn stelling op geen enkele manier. Wetgeving inzake medische aanstellingskeuringen wordt echter reeds meer dan tien jaar overwogen. Motieven daarvoor zijn onder meer gelegen in de kwetsbaarheid van de sollicitant, het cruciale belang van het kunnen krijgen van werk, gecombineerd met het feit dat privacy en non-discriminatie bij aanstellingskeuringen in het gedrang kunnen komen. Tot nu toe is het niet van wetgeving gekomen. Het kabinet wilde afwachten of langs de weg van zelfregulering (sociale partners, beroepsorganisaties van artsen) voldoende rechtsbescherming kon worden geboden.

Inmiddels is er naar de praktijk van aanstellingskeuringen in Nederland uitvoerig onderzoek verricht (door NIPG/TNO in de periode 1988-1991). Daaruit blijkt dat uitgangspunten waarover brede consensus bestaat - bij voorbeeld dat de keuring uitsluitend mag dienen ter beoordeling van de medische geschiktheid en alleen mag plaats vinden voorzover er medische eisen aan de functie verbonden zijn - bij lange na niet worden gerealiseerd. Tevens blijkt over de rechten van de gekeurde - bij voorbeeld ten aanzien van de wijze waarop met uit de keuring verkregen medische gegevens wordt omgegaan - nog steeds niet voldoende duidelijkheid te bestaan. De conclusie kan niet anders zijn, dan dat zelfregulering niet het beoogde effect heeft gehad. Alle reden voor optreden door de wetgever dus. Daar komt nog bij dat in een recente studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene bij de waarde van aanstellingskeuringen als selectie-instrument grote vraagtekens worden geplaatst. De bepalingen in Kohnstamm's wetsvoorstel, bij voorbeeld dat dergelijk onderzoek alleen toelaatbaar is als aan de functie bijzondere medische geschiktheidseisen zijn verbonden, zijn tegen die achtergrond uiterst relevant.

Ook bij de toegang tot particuliere levens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen staan voor de onderzochte grote belangen op het spel; recente snoeioperaties in de sociale verzekeringssfeer onderstrepen dat alleen maar. Ook hier treden artsen op als poortwachter tot maatschappelijke voorzieningen. Tegelijk nemen de medische mogelijkheden op het gebied van de voorspellende diagnostiek toe, en daarmee ook het belang van een goede rechtsbescherming. Van der Giessen meent niettemin dat met zelfregulering kan worden volstaan en noemt voorts enkele inhoudelijke bezwaren tegen het wetsvoorstel. Die houden onder meer in dat een keuring waarbij het vinden van een ernstige aandoening niet is toegestaan geen zin heeft, dat een ongenuanceerd verbod op de introductie van nieuwe diagnostische methoden conservatief is, en dat verzekeringsmaatschappijen om aangeboden risico's te kunnen beoordelen nu eenmaal een gedegen keuring moeten kunnen laten uitvoeren.

Op die bezwaren valt nogal wat af te dingen. Het wetsvoorstel-Kohnstamm verbiedt niet het vinden van ernstige, onbehandelbare ziekten (dat is immers bij keuringsonderzoek nooit geheel te vermijden), maar het gericht zoeken daarnaar middels specifieke, daarop toegesneden onderzoeksmethoden. Het houdt dus ook geen algemeen keuringsverbod in voor de verzekeraar, maar geeft slechts een grens aan waar, gelet op de ernstige gevolgen van het ongewild verkrijgen van zeer belastende kennis, het belang van de onderzochte moet prevaleren. Een en ander geldt ook voor de introductie van nieuwe diagnostische methoden: die worden niet als zodanig in de ban gedaan, het wetsvoorstel beoogt alleen zoveel mogelijk te waarborgen dat bij het gebruik daarvan geen onaanvaardbare gevolgen optreden. Kortom: risico-beoordeling door verzekeraars is legitiem, maar moet wel binnen redelijke perken blijven.

Is voor dat laatste nu wetgeving nodig? Mij dunkt van wel: nog afgezien van de vraag hoever men met zelfregulering komt in een open EG-markt, vraagt een zo belangrijke zaak om parlementaire besluitvorming. Ook kenbaarheid en handhaving zijn met optreden van de wetgever gediend. Wat langs de weg van zelfregulering kan worden bereikt, blijkt beperkt; zo hebben verzekeraars zich vooralnog slechts voor beperkte tijd gebonden aan een terughoudend beleid met betrekking tot genetisch onderzoek. De rechtspositie van personen bij verzekeringskeuringen wordt inmiddels deels bestreken door het aanhangige wetsvoorstel op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daaruit blijkt dat men onderkent dat de wetgever hier een taak heeft. Probleem is dat die regeling niet op keuringssituaties is toegesneden, en dat belangrijke punten, zoals het recht op herkeuring, ongeregeld blijven.

Het bovenstaande is geen pleidooi voor een zwaar opgetuigde

wettelijke regeling: als het simpel kan, dan graag. Het wetsvoorstel-Kohnstamm is sober en kan deze toets goed doorstaan. Anders dan Van der Giessen suggereert, sluit het zelfregulering niet uit. Op alle partijen wordt nu juist een beroep gedaan tot nadere afspraken te komen, maar dan wel op basis van enkele bindende uitgangspunten.