Tsjechisch tabaksmonopolie ging van de staat naar Philip Morris

Tsjechië is officieel een vrije-markteconomie. Maar het voormalige staatstabakmonopolie Tabak - nu eigendom van Philip Morris - heeft nog steeds een dominante positie. Concurrenten krijgen geen voet aan de grond wegens gebrek aan adequate wetgeving. “Buitenlandse investeerders in Oost-Europa zoeken naar zoveel mogelijk protectie.”

De Tsjechische premier Vaclav Klaus mag graag beweren dat zijn land verder gevorderd is dan het westen in het hanteren van het marktbeginsel. Maar als het gaat om het aanlokken van buitenlandse investeringen lijken de Tsjechen niets meer van vrije concurrentie te moeten hebben.

Het is nu meer dan een jaar geleden dat de staats-tabaksfabriek Tabak SA inclusief alle merknamen werd overgedaan aan Philip Morris, maar het Tsjechische parlement is zijn belofte om ook andere ondernemingen toe te staan sigaretten in Tsjechië te fabriceren nog altijd niet nagekomen.

Uiteraard heeft Philip Morris zijn voorsprong gebruikt om zijn positie verder te versterken, de distributie te verbreden en zijn marktaandeel van ongeveer 56 procent te vergroten tot meer dan 62 procent op de gecombineerde Tsjechische en Slowaakse markt. In de Tsjechische Republiek alleen is dat cijfer zelfs 75 procent.

“We zijn zeer tevreden,” aldus een zegsman van Philip Morris in Lausanne, die tevens weet te melden dat de fabriek winst maakt. “Het gaat uitstekend.” Dat geldt ook voor de regering, die een hogere prijs kon bedingen door Tabak niet op te splitsen en niet onmiddellijk concurrenten toe te laten.

Die concurrenten zijn dan ook minder tevreden. “We hebben geen belangstelling meer voor die markt,” zegt een woordvoerder van het Londense B.A.T. Industries PLC, die kleine hoeveelheden HB- en Lucky Strike-sigaretten importeert. Het mag zo zijn dat de Tsjechen zich tot een markteconomie aan het omvormen zijn, zo moppert hij, “maar privatisering van een [bijna-] monopolie is wel een vreemde manier om dat te doen.” Intussen smaken de rokers niet de genoegens die meer concurrentie met zich zou meebrengen, zoals prijsverlagingen.

Adviseurs moeten westerse ondernemingen er nog maar al te vaak op wijzen dat veel bedrijven die in het vroegere oostblok te koop worden aangeboden praktisch monopolies zijn, als gevolg van het communistische verleden. Aanschaf ervan kan een ongekend hecht bruggehoofd opleveren dat alle concurrentie gedurende tientallen jaren kan weerstaan, ook als de regering uiteindelijk rivaliserende bedrijven toelaat. “Je bouwt een positie op die jaren- en jarenlang te handhaven is,” stelt David Pitt-Watson van het consulentschap voor bedrijfsstrategie Braxton Associates. Zelfs als de Tsjechen bijvoorbeeld volgend jaar hun monopolie-wet zouden intrekken zal het volgens vele deskundigen jaren duren eer de concurrentie Philip Morris naar de kroon kan steken.

Philip Morris staat niet alleen. Het recente besluit van Volkswagen om een toegezegde investering van 1,4 miljard mark in zijn joint-venture Skoda Auto AS (31 procent VW) te schrappen, was des te wranger omdat de Tsjechen de Duitse autofabrikant nog in 1991 vier jaar tariefbescherming hadden geboden wanneer Volkswagen Tsjechië een goede naam als goedkoop investeringsland zou bezorgen. De heffing op ingevoerde auto's uit de EG is nog altijd 15,2 procent, en voor andere auto's 19 procent. Skoda heeft zijn beschermde markt ten volle benut en de afgelopen drie jaar zijn prijzen bijna verdubbeld - wat bij de bevolking kwaad bloed heeft gezet.

Anderzijds zijn ook de Tsjechen niet als enigen bereid om tegemoet te komen aan investeerders die beschermde marktposities willen kopen. Dit soort transacties is schering en inslag in Rusland, dat alleen door zijn omvang al bijzonder aanlokkelijk is. Pitt-Watson: “Als je de vier grootste ondernemingen in alle Amerikaanse bedrijfstakken zou fuseren, dan ontstaan er nog niet zo'n gemonopoliseerde situatie als er in Rusland bestaat.” Hij vervolgt: “Dat betekent voor investeerders twee dingen: wie een deal wil sluiten kan maar uit een beperkt aantal mogelijkheden kiezen; en je moet er nu als de kippen bij zijn.”

Het Italiaanse Ansaldo SpA, dat deel uitmaakt van het staatsconcern Istituto per la Ricostruzione Industriale (IRI), heeft een aandeel van 51 procent in de elektrotechnische fabriek Ganz in Boedapest gekocht, deels om de monopoliepositie die Ganz bezat.

Zoals blijkt uit een voordracht die tijdens een internationale handelsconferentie in november 1992, in het Oostenrijkse Laxenburg, werd gehouden door János Gács van het Internationaal Instituut voor Toegepaste Systeemanalyse in Luxemburg, oefenen vooral autofabrikanten als Volkswagen, wegens de grote investeringen die met de overnamen gemoeid zijn, grote druk op de betrokken landen uit om hun positie te beschermen.

Dr. Gács meldde dat Ford in Hongarije ontheffing van de 18 procent invoerrechten op zijn Transit-busjes wist te bedingen omdat het in Hongarije een onderdelenfabriek had opgezet. Pas na hevig protest van volksvertegenwoordigers en concurrenten werd de ontheffing ook gegeven voor andere bestelauto's. Soortgelijke situaties doen zich, aldus Gács, ook voor in Polen.

Bijna geen buitenlandse investeerder vestigt zich Oost-Europa zonder eerst te zorgen voor zoveel mogelijk protectie,'' zegt Hans Peter Laneks, econoom bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

Philip Morris stelt van zijn kant dat met investeren in Oost-Europa vaak verregaande sociale verplichtingen gemoeid zijn - waaraan het zich overigens heeft gehouden. “Concurrentie is prima, maar er moet wel sprake zijn van een enigszins vlak speelveld,” aldus Philip Morris' woordvoerder.

Natuurlijk slaagt niet elke poging om voor blijvende protectie te zorgen. In Hongarije moest het door Ansaldo overgenomen Ganz haastig reorganiseren toen de regering prompt na de overname een einde maakte aan Ganz' monopolie. Als het strategisch belang van Ganz niet zo groot was, zegt men bij Ansaldo, dan zouden de verliezen bij het bedrijf tot sluiting nopen.

Hoe belangrijk het is om zich als eerste op een markt te begeven “hangt ervanaf hoe belangrijk merken zijn en hoe het plaatselijke produkt is geprijsd ten opzichte van de import,” aldus Bruce Bybee, Amerikaans adviseur van de Tsjechische privatiserings-instantie. In de sigarettenbranche zijn merken heel belangrijk, want rokers veranderen maar zelden van merk. “Een monopolie op staal is van weinig belang,” zegt Olivier Perraudin, directeur bij Meryll Lynch. “Maar alles met een merknaam en de toegevoegde waarde daarvan is beslist de moeite waard.”

Landen waar de privatiseringskoorts is uitgebroken bekommeren zich zelden om de vraag of ook de overige condities voor een bloeiende markteconomie aanwezig zijn, zoals arbeidsmobiliteit, beschikbaarheid van kapitaal en vrije concurrentie in de levering van goederen en diensten, aldus David Pitt-Watson. Hongarije heeft wel een Concurrentie-Bureau, zegt Dr. Gács, maar “dat heeft geen beslissende stem bij privatiseringen. Het is uitermate zwak.”

Volgens Bybee hebben de Tsjechen, die het verst zijn gevorderd met de privatisering, nooit expliciet naar het scheppen van concurrentiekrachten gestreefd, zeker niet als dat de splitsing van een staatsonderneming inhield. Integendeel, zegt hij: het bijeenhouden van een onderneming betekent doorgaans dat men een betere prijs krijgt. “Men is ervan uitgegaan dat er concurrentie zou komen van binnenlandse investeerders of van joint ventures met Tsjechische ondernemers.”

Bij de overneming van Tabak had Philip Morris van meet af aan een streepje voor. Tabak maakte al sinds 1986 Marlboro-sigaretten in licentie, zodat Philip Morris al een relatie met het plaatselijke management had waartegen B.A.T., Reynolds Tobacco International Inc. en anderen niet op konden. Weliswaar bood Reynolds een hogere prijs voor de onderneming, maar bij Philip Morris had men een beter gevoel voor bestaande zorgen omtrent werkgelegenheid en de bestaanszekerheid van het bedrijf, en beloofde men de binnenlandse merken te versterken, banen te scheppen en hogere investeringen te doen. Al met al zegde Philip Morris meer dan 400 miljoen dollar ( ca 720 miljoen gulden) aan betalingen en aandeleninjecties toe.

Tot dusver heeft Philip Morris, eenvoudig door zich als een brave onderneming te gedragen, voorkomen dat het zich de toorn van de regering op de hals haalde, zoals Volkswagen heeft gedaan. “Philip Morris blijft voldoen aan alle voorwaarden die de staat heeft gesteld” aan de verkoop van 77,4 procent van Tabak, aldus Kvetoslava Cerna, directeur van afdeling voeding op het ministerie van landbouw. (De overige aandelen zijn in handen van Tsjechische staatsburgers.)

De onderneming heeft 140 mijljoen dollar rechtstreeks geïnvesteerd. De merken die Philip Morris verwierf - Start, Petra en Sparta - hebben nieuwe pakjes gekregen en er zijn nieuwe versies van geïntroduceerd met minder teer en nicotine. Petra staat zoals vroeger nog steeds aan top. Marlboro wordt ter plaatse gemaakt en daarnaast is het internationale merk Bond geïntroduceerd. Het personeelsbestand van Tabak is, sinds de Newyorkse firma in juni 1992 haar eerste portie aandelen kocht, gestegen van een kleine 2.000 naar 2.200.

Maar de concurrentie strekt beschuldigende vingers uit. De Tsjechische regering had bij de verkoop van Tabak beloofd dat ze de wet uit 1950 op de monopolies op tabak en sterke drank zou afschaffen. Volgens de voorwaarden van de verkoop, in maart 1992, had de Economische Kabinetsraad in Praag bepaald dat de wet buiten werking zou worden gesteld en dat de koper van Tabak niet op blijvende bescherming zou kunnen rekenen. Ook andere ondernemingen zouden vergunning krijgen om in Tsjechië te produceren.

“Er zijn heel wat beloften gebroken,” klaagt Rupert J. Wilson, leider van de Oosteuropese activiteiten voor Rothman's bij Pall Mall (International) Ltd.. “Ik heb het gevoel dat Philip Morris allerlei vertragingstactieken heeft gebruikt om zich van een blijvend monopolie te verzekeren. Ze worden nog met de dag sterker.”

Jan Stehlik, staatssecretaris op het ministerie van landbouw, wilde desgevraagd niet ingaan op de wisselvallige geschiedenis van het wetsvoorstel om de monopolie-wet af te schaffen. Hij stelt dat de Tsjechen hun doelstellingen grotendeels hebben vervuld, eenvoudig door een vroeger staatsmonopolie te privatiseren.

“We hebben wel iets anders aan ons hoofd,” zegt Karel Dyba, minister van economische zaken bij wijze van verklaring, “en volgens ons is het niet zo'n dringend probleem. Het is allemaal een kwestie van "administratieve vertraging' bij het ministerie van landbouw, dat het eerste ontwerp voor een nieuwe wet in mei verworpen zag door de wetgevende raad van het kabinet.

Maar hoe dat ook zij, de wet is vertraagd door voorstellen die in het belang van Philip Morris waren. Directieleden van de sigaretten-gigant zeiden weliswaar een jaar geleden dat ze voor afschaffing van de monopolie-wet waren, maar ze beseften ook dat dat een complex en dus langdurig proces zou zijn. “Het Tsjechische parlement moet al zoveel wetgeving behandelen,” aldus een woordvoorder bij Philip Morris, en heeft dringender beslommeringen zoals de invoering van een nieuwe munt na de afscheiding van Slowakije.

Tot augustus eiste het wetsvoorstel van nieuwe fabrikanten dat het gehele produktieproces van tabaksblad tot sigaret in Tsjechië zou plaatsvinden. Die eis, aldus Rupert Wilson van Rothman's, zou fabricage ter plaatse onrendabel maken, omdat de kosten 7 à 8 miljoen dollar hoger zouden uitvallen. De concurrentie vraagt nu juist om alleen de laatste produktiefase, het verpakken, in de Tsjechische Republiek te mogen uitvoeren.

Daar stelt Philip Morris tegenover dat dat op termijn niet in het Tsjechische belang is. Verpakkingsfabrieken bieden geen pendant voor de enorme investeringen die Philip Morris al heeft gedaan. “We vinden wel dat er eerlijke concurrentie moet zijn, maar we zien dan wel graag dat andere investeerders zekere toezeggingen moeten doen op het vlak van de "primaire produktie', aldus de officiële woordvoerder. En daartoe heeft Philip Morris zich ook zelf verplicht toen het de vijf Tabak-fabrieken overnam.

“Bedrijven verplichten om alle produktiefasen in het afzetland te laten plaatsvinden, dat is ongekend in de tabaksindustrie,” zegt Rupert Wilson: “Wie gelooft in vrije handel zou het toch aan de ondernemingen moeten overlaten om zo veel of zo weinig te investeren als ze zelf nodig achten.” Sinds december vorig jaar bestookt Rothmans de Tsjechische ministers met voorstellen om produktiefaciliteiten in het land te bouwen.

Volgens andere tabaksproducenten hebben de Tsjechen hun ooit het voorstel gedaan om hun produktievergunningen bij Tabak zelf te bedingen. Die gedachte lijkt te zijn ingegeven door oude gewoonten uit de tijd dat het hoofd van dit staatsmonopolie rechtstreeks onder de minster van landbouw ressorteerde.

Maar de basis voor de huidige problemen werd gelegd in het voorjaar van 1992, toen de regering op advies van twee westerse investeringsbanken besloot het Tabak-monopolie als één geheel van de hand te doen. Reynolds en B.A.T. hadden gesteld dat de Tsjechen hetzelfde moesten doen als de Hongaren, namelijk hun monopolie vóór de verkoop in vier of vijf eenheden splitsen. Weliswaar erkenden ze dat de verdeling van de merknamen over de verschillende onderdelen dan een probleem zou opleveren, maar onoplosbaar was dat niet - het zou alleen wat meer tijd kosten.

De Tsjechen en hun adviseurs echter meenden dat er geen tijd te verliezen was. Er stonden in juni 1992 verkiezingen voor de deur, hetgeen inhield dat als de onderneming niet snel werd verkocht de politiek zich ermee zou gaan bemoeien en er misschien helemaal niets van verkoop zou komen. Zowel Nomura International PLC, dat Tabak en het ministerie van landbouw adviseerde, als Crimson Capital, adviseurs van het ministerie van privatisering, meenden eensluidend dat het voor de opbrengst en de toekomst van Tabak het beste was als het bedrijf intact zou blijven.

De Tsjechen waren ervan overtuigd geraakt dat een aantal van de Tabak-fabrieken in het geval van een splitsing zou moeten sluiten, omdat ze zonder concurrerende merknamen zouden komen te zitten. “Men was bang dat er iemand zou worden afgescheept met één stippelsok en een linkerhandschoen, die hij in arren moede zou moeten weggooien,” aldus een zegsman van één van de betrokken investeringsbanken. Het dreigende verlies aan banen in plaatsen die voor hun welvaart van de Tabak-fabrieken afhankelijk waren, joeg de bureaucraten in Praag de doodschrik op het lijf.

Philip Morris maakte dankbaar gebruik van het ontstane spookbeeld dat Tabak ten prooi zou vallen aan internationale ondernemingen die sigaretten naar de Tsjechische republiek zouden gaan exporteren. “Ze zouden nooit of te nimmer kunnen wedijveren met de grootste fabrieken in de Europese Gemeenschap”, zei een topman bij Philip Morris kort na de overname van Tabak. “In de politiek zei men: monopolies zijn verkeerd, dus splitsen we ze op. Wij zeiden: Tabak heeft een sterke partner nodig om marktverlies aan concurrenten te voorkomen.”

Achteraf lijkt dat laatste argument een drogreden. Bij 65 procent invoerheffing op importsigaretten maken ondernemingen die buiten de republiek fabriceren nauwelijks een kans. “Die barrière maakt dat je in het land zelf moet fabriceren wil je kunnen concurreren,” aldus Rupert Wilson van Rothman's, die overigens meldt dat zijn bedrijf het intact laten van Tabak steunde. “Zelfs toen Tabak werd verkocht, was dat duidelijk.”

Jan Stehlik zegt dat zijn ministerie thans vaart zet achter een wetsvoorstel dat concurrentie mogelijk moet maken. Maar zo'n wet zal in elk geval niet voor 1 januari in werking treden. Daarna zal het, volgens ondernemers, minimaal een half jaar duren voordat met fabricage ter plaatse kan worden begonnen. En op dat moment heeft Philip Morris de markt voor binnenslands gefabriceerde sigaretten dan al twee jaar voor zich alleen.

© The Wall Street Journal

    • Janet Guyon