Te grote overzichtstentoonstelling van pionier Henri Le Fauconnier; Verwrongen Braques en Kandinsky's

Tentoonstelling: Henri Le Fauconnier (1881-1945), schilderijen, aquarellen, tekeningen. Verweyhal, Grote Markt, Haarlem, t/m 2 jan. Catalogus ƒ 39,50.

Terwijl Picasso en Braque in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog op formele gronden tot het kubisme kwamen was er in Parijs nog een andere groep kunstenaars bezig de ”ondergang van het impressionisme' te bewerkstelligen, zoals de dichter Apollinaire het in zijn kunstkronieken tevreden formuleerde. Deze zogenaamde ”Montparnasse-kubisten' traden in 1911 op de Salon des Indépendants voor het eerst als groep naar buiten. Na een coup te hebben gepleegd binnen de organisatie waren ze in staat hun werk bij elkaar in één tentoonstellingszaal te presenteren.

Tot de Montparnasse-kubisten behoorden behalve Ferdinand Léger en Robert Delaunay ook enkele kunstenaars die minstens zoveel praatten en theoretiseerden als ze schilderden, onder wie Jean Metzinger, Albert Gleizes en Henri Le Fauconnier. Aan het werk van de laatste, wiens naam ook een magische klank heeft in verband met het ontstaan van de abstracte kunst in Nederland, is nu voor het eerst sinds meer dan veertig jaar een overzichtstentoonstelling gewijd.

Nu blinken de theoretici onder de kunstenaars, en zeker die uit het begin van de moderne kunst, meestal meer uit door interessante dan door goede schilderijen. Op zijn minst is hun werk nogal ongelijk van stijl en kwaliteit. Dat geldt in Nederland bijvoorbeeld voor de Rotterdamse kunstenaarsgroep De Branding, waarvan de experimenten anderhalf jaar geleden in museum Boymans-van Beuningen te zien waren. Het geldt ook voor Le Fauconnier, een van hun Franse voorbeelden. Proeven van diens impressionistische, kubistische, expressionistische, fauvistische en futuristische werk hangen nu bij elkaar in de voormalige Herensociëteit Trouw Moet Blijken in Haarlem, dit voorjaar tot Verweyhal omgedoopt. Le Fauconnier is als schilder allesbehalve vergeten, maar wordt wel als een ten onrechte onderschatte figuur beschouwd.

De Fauconnier-manifestatie is in verschillende opzichten de moeite waard. Ten eerste wordt het mogelijk de 'mythe Le Fauconnier' met eigen ogen te aanschouwen en er een oordeel over te vellen. Ten tweede ligt er de catalogus waarin de kunsthistoricus Arnold Ligthart uitgebreid ingaat op Le Fauconnier in internationaal verband. Ligthart heeft veel gegevens over tentoonstellingen, kunstenaarsinitiatieven, relaties en theorieën boven water gehaald. Duidelijk wordt dat Le Fauconnier, hetzij als theoreticus, hetzij als kunstenaar, bij vele voor de moderne kunst doorslaggevende gebeurtenissen aanwezig was, van München tot Domburg, van Duitsland tot Rusland en niet te vergeten Parijs. Voor Nederland is hij vooral interessant geweest door zijn vriendschap met de pioniers Conrad Kickert en Lodewijk Schelfhout.

Maar in welke van die twee hoedanigheden, die van kunstenaar of die van theoreticus, Le Fauconnier het meeste invloed heeft gehad wordt uit de historische context toch niet erg duidelijk.

Een beter antwoord op deze vraag zou op de tentoonstelling kunnen liggen. Neem de eerste zaal, de mooiste. Hier hangen twee kopjes van Bretonse kinderen uit 1908. Ze hebben schwung, zijn intens en expressief. Ze doen zeer sterk aan werk uit dezelfde periode van de in München verblijvende Alexej Jawlenski denken. Dat geldt ook voor de gestileerde landschappen uit Ploumanach in Bretagne (19081909). Jawlenski en Le Fauconnier kenden elkaars werk en vermoedelijk ook elkaar. Maar als het over invloedrijke personen gaat (wat ze beiden waren) dan is hier de vraag natuurlijk wie beïnvloedde wie?

Bij elk schilderij wordt de bezoeker met deze vraag geconfronteerd. De ene keer herkent hij Braque, de andere Jan Sluyters, Kandinsky, de schilders van de Bergense school, een Vlaamse expressionist, Chagall, Derain, Matisse, De Vlaminck. Ze hangen er allemaal, zij het in ietwat verwrongen vorm. Veel schilderijen van Le Fauco, zoals Apollinaire hem noemde, lijken zwakke aftreksels van wat de grote namen uit de kunstgeschiedenis hebben nagelaten. Hij komt over als een nogal eclectisch en op zijn minst weinig consequent kunstenaar.

Bij het zien van dit alles vraag je je af of het niet beter geweest was in plaats van een overzicht een kleine maar aardige selectie te maken. Dat klinkt weinig avontuurlijk en zou in kunsthistorisch opzicht zeker jammer zijn. Maar daar staat tegenover dat we Ligtharts boek hebben. Stel je voor, in de eerste zaal handhaven we de genoemde Bretonse kinderen, de landschappen en het kubistische portret van de dichter Paul Castiaux. Uit de grote zaal mogen de kleine Zeeuwse boerin en een paar landschappen blijven. Verder laten we Pierre Jean Jouve hangen evenals de cellist die ons boven aan de trap met zijn doordringende ogen aankijkt. Ook houden we de anemoontjes - die nu overigens verkeerd hangen omdat hun hartjes te veel op de ogen van de cellist lijken.

Afvoeren zou ik in elk geval het verschrikkelijke drieluik Le songe du vagabond, dat van slecht geschilderde citaten aan elkaar hangt. Ook het uit appels en peren opgebouwde doek L'Abondance zou beter kunnen verdwijnen, ondanks de ophef die het als kubistisch doek in 1911 maakte. (De studie voor L'Abondance daarentegen moet blijven!) Maar het meeste afbreuk aan de mythe doen enkele kitscherige interieurs uit zijn laatste periode.

Met deze opruiming zou in elk geval de schilder Le Fauconnier een beter figuur hebben geslagen. De kunsthistorische rechtvaardiging die de figuur Le Fauconnier nu in de Verweyhal ten deel valt laat een te overweldigende hoeveelheid zwak in praktijk gebrachte ideeën zien.