Spreiding mag niet, maar het gebeurt wel

Veel woningbouwverenigingen "spreiden' allochtone huurders over verschillende wijken. Ze gaan daarmee in tegen het beleid van het ministerie van volkshuisvesting: spreiden van huurders op etnische gronden mag niet.

DEN HAAG, 19 OKT. Dat er nu veel meer buitenlanders in de oude stadswijken wonen dan vijftien jaar geleden, laat zich raden. In 1978 telde Nederland 396.000 allochtonen, in 1990 meer dan 900.000. Staatssecretaris Heerma van volkshuisvesting draagt gemeenten en woningbouwverenigingen sinds jaar en dag op de beschikbare woonruimte zo doelmatig mogelijk te verdelen, dat wil zeggen dat de goedkoopste woningen beschikbaar moeten zijn voor de laagste inkomens. Doelmatig wil ook zeggen: zodanig dat het de rijksoverheid het minst aan subsidies kost.

De woningen met de laagste huren staan dikwijls in de oude stadswijken en de buitenlanders horen gewoonlijk tot de groepen met de laagste inkomens. De resultaten zijn duidelijk, zo blijkt uit cijfers die het ministerie van volkshuisvesting vorige maand publiceerde: de allochtonen zijn oververtegenwoordigd in de steden. Woont van de totale Nederlandse bevolking slechts 25 procent in gemeenten van 100.000 inwoners of meer, voor de allochtonen ligt dit op 60 procent, waarvan 45 procent in de vier grote steden.

Even onmiskenbaar is dat binnen de steden wijken zijn waar allochtonen zijn geconcentreerd. Elke buurt kent daarbij ook weer haar eigen "kleur'. In Amsterdam Zuid-Oost wonen veel Surinamers en Antillianen, maar vrijwel geen Turken en Marokkanen. Zij zijn, net als in Utrecht, meer in de vooroorlogse buurten gehuisvest. Toch durfde Heerma onlangs in een brief aan de Tweede Kamer de stelling aan dat in Nederland “dank zij onder meer het gevoerde volkshuisvestingsbeleid zeker geen sprake is van gettovorming”. In het rapport van zijn ambtenaren staat wat omslachtiger dat er “geen sprake is van homogene gebieden met uitsluitend of overwegend bevolkingsgroepen met achterstanden”. Maar volgens de ambtenaren was “wel waakzaamheid geboden om te voorkomen dat deze wijken hun aantrekkelijkheid verliezen voor de bevolkingsgroepen in de midden-inkomensgroepen”.

Die groepen hebben (nog) een belangrijk aandeel in de samenstelling van de stadswijken. Uit onderzoeken in de vier grote steden blijkt dat de concentratie van huishoudens met minimuminkomens - de term allochtonen is daar bijna een synoniem voor - in geen enkele wijk de 55 procent overschrijdt. Bovendien is er eerder van afnemende of gelijkblijvende concentratie van minimuminkomens sprake dan van groeiende. De "waakzaamheid', waar de ambtenaren voor pleiten, is vooral geboden voor vooroorlogse wijken waar nog geen stadsvernieuwing is uitgevoerd en voor na-oorlogse wijken met eenzijdig veel goedkope woningen.

Het ministerie van volkshuisvesting verbiedt gemeenten officieel een spreidingsbeleid te voeren. Toen in het recente verleden in steden als Lelystad en Haarlem toch dergelijke tendensen in het beleid zichtbaar werden, greep de staatssecretaris in. Of dat echt helpt, is de vraag. De directeur van de Vereniging Volkshuisvesting Tilburg, J. Scholten, zelf een uitgesproken voorstander van een spreidingsbeleid, stelde onlangs: “Elke grote stad in Nederland voert een spreidingsbeleid. Maar niemand durft dat expliciet te melden, omdat ze dan net als wij over het randje van de juridische toelaatbaarheid wandelen”.

De uitlatingen van Scholten kunnen voor politiek Den Haag niet als een verrassing zijn gekomen. Het Amsterdamse onderzoeksbureau Cebeon ging in opdracht van het ministerie de woonruimteverdeling in 19 gemeenten na en de gevolgen daarvan voor etnische minderheden. In april van dit jaar deden de onderzoekers kond van hun bevindingen: “Beleidmakers kunnen ons inziens niet om spreidingsbeleid heen. Dit beleid hebben we in een groot aantal gemeenten aangetroffen. (..) Hoewel een dergelijk beleid niet toegestaan is (immers discriminatoir), leert de praktijk dat het wel degelijk voorkomt. De wijze waarop en de mate waarin, blijven echter grotendeels verborgen.”

Staatssecretaris Heerma kan inderdaad niet heen om de gevolgen van de komst van allochtonen voor de volkshuisvesting. Eerder dit jaar moest het kabinet de bouwplannen voor de komende jaren opwaarts bijstellen. Tot 2005 moeten 162.000 woningen extra worden gebouwd. Belangrijkste reden: de toenemende immigratie. Het migratiesaldo overtreft tegenwoordig het geboorte-overschot.

De remedie tegen het ontstaan van "segregatie' - de rapportenterm voor getto's - zoekt Heerma veel meer in het bouwbeleid dan in expliciete huisvestingsinstrumenten. Wie er bij de stadsvernieuwing en ook in de uitbreidingswijken voor zorgt dat veel meer de nadruk op koopwoningen wordt gelegd, voldoet niet alleen beter aan de vraag van de woningzoekende, maar voorkomt ook dat er buurten blijven of ontstaan waar slechts plaats is voor de laagste inkomens.

In elk geval ligt het antwoord volgens de staatssecretaris niet besloten in een spreidingsbeleid. In bewoordingen die geen ruimte voor misverstanden boden, schreef Heerma onlangs aan de Tweede Kamer: “Een concentratie- of spreidingsbeleid op etnische gronden is in strijd met de anti-discriminatiebepalingen in internationale verdragen, de Grondwet en het Wetboek van Strafrecht”. Hetzelfde geldt voor het "plaatsingsbeleid', een term die gemeenten of woningbouwverenigingen tegenwoordig nogal eens hanteren, omdat zij, denkt Heerma, neutraler klinkt. Feitelijk letten de volkshuisvesters er dan op of een wijk nog wel meer allochtonen kan "verdragen'.

Het mag volgens de staatssecretaris nooit zo zijn “dat het de verhuurders - en in het verlengde daarvan de zittende bewoners - zijn die bepalen wat een evenwichtige en stabiele wijkopbouw is, welke de kenmerken van wooncultuur zijn en welke woonculturen al dan niet bij elkaar passen. Aldus komt plaatsingsbeleid er per saldo op neer dat gemeenten en verhuurders de woonwensen van minderheden niet willen respecteren en honoreren. Een dergelijk beleid blijf ik categorisch afwijzen”.

Het onvermijdelijke resultaat van niet-spreiden van allochtonen is het ontstaan van concentratie, van spanningen in de wijken, van autochtonen die "het niet meer pikken'. Ook al bewijzen onderzoeken dat buitenlanders vaak langer op een woning moeten wachten dan autochtone Nederlanders, in de beleving telt dat niet. De staatssecretaris van volkshuisvesting gelooft echter niet dat de maatregelen die hij kan nemen, het ultimum remedium zijn voor het minderhedenvraagstuk. “Werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, sociale vernieuwing, gezondheidszorg en criminaliteitsbestrijding” zijn volgens hem instrumenten die “meer geëigend zijn voor het bereiken van structurele oplossingen”. Gemeenten die nochtans een spreidingsbeleid voeren, kunnen, laat een medewerker van Heerma weten , een bezoek van de inspectie volkshuivesting verwachten.

En die concentraties zelf? Heerma zei op 5 maart in deze krant: “Is dat erg? (..) Is het raar dat die mensen bij elkaar willen wonen in een wijk waar ook de Marokkaanse winkels zijn de moskee vlakbij is? Het wordt alleen anders als dat Marokkaanse gezin geen keus heeft (..). Wil je mensen spreiden? Ik zeg: nee, laat het aan de mensen zelf over.”

Switserse tuisgemaakte sjokolade

    • John Kroon