Roem

In een van de eerste nummers van de WFH-verzamelkrant, over Willem Frederik Hermans, stond een foto van Hermans waarop hij de vinger vermanend had opgeheven, en volgens het onderschrift zei hij: dit is een heel akelig blaadje. Het leek op het eerste gezicht ondankbaar, want een regelmatig verschijnende verzamelkrant is een eerbetoon dat niet iedere schrijver ten deel valt, maar als je het blad las, leerde je dat er bewonderaars bestaan die een schrijver het leven zuurder kunnen maken dan zijn ergste vijand. Bewonderaars moeten het wel zijn, de redacteuren Dirk Baartse en Bob Polak. Het valt niet aan te nemen dat ze een ongerichte verzameldrift hadden en vervolgens blind een naam in een literaire almanak hebben geprikt, waar ze vervolgens die drift op uitleefden. Er moet een gevoel van verwantschap zijn geweest. Maar het zijn onhandige bewonderaars, die niet goed weten hoe ze aan hun liefde uiting moeten geven en daarom de enige manier kiezen die ze wel beheersen: agressie. Een beroemdheid die zich in het openbaar begeeft, loopt een goede kans om plotseling een klap in zijn gezicht te krijgen. Dan heeft hij een bewonderaar getroffen die contact zoekt en wel weet dat een klap niet de beste manier is, maar het niet op een andere manier kan.

De WFH-verzamelkrant beweegt zich steeds op het randje van het fatsoen. Is het netjes om een vijand van de bewonderde schrijver uit te nodigen om voor een serie artikelen alle kwaads te vertellen dat hij zich kan herinneren? Om, terwijl Hermans goede redenen heeft om onuitgenodigd bezoek te mijden, een foto van zijn huis af te drukken? Nauwelijks.

Sinds een paar weken is het septembernummer uit. Het lijkt of de toon van het blad steeds misprijzender wordt. Niets kan Hermans doen zonder dat er een smalend commentaar aan wordt gewijd. In 1993 zei hij dat koningin Juliana vroeger in vliegende schotels geloofde en te weinig goede boeken las. Commentaar van de verzamelkrant: “Desondanks voelde WFH zich als beginnend schrijver niet te min om in 1953 in de rij te gaan staan voor Juliana.” Wat verschrikkelijk, een jonge schrijver die zich niet te min voelt om zich op het boekenbal te laten voorstellen aan een koningin die te weinig goede boeken leest. Een collaborateur bijna. Met "te min' bedoelen de redacteuren van de verzamelkrant overigens "te hoog'. Ik houd er niet van om veel drukte over taalfouten te maken, maar ik word aangestoken door het schoolmeestervirus dat in die krant heerst.

Symptoom van de schoolmeesterziekte is de neiging om iedere keer als in een roman van Hermans iets een beetje anders is dan in werkelijkheid, te zeggen dat het geheugen van Hermans faalt. Op het absurde af. Een romanfiguur spreekt over een reclamebiljet van een levensverzekeringsmaatschappij, waarop een roofvogel op het punt staat een nest uilskuikens te verslinden. Voor de verzamelkrant heeft iemand uitgezocht dat er in werkelijkheid een reclamebiljet was waarop een roofvogel beschermend haar vleugels uitspreidt over haar jongen. Slecht geheugen van Hermans! Het komt niet bij ze op dat het nu juist leuk is om de beschermende vogel van de leveringsverzekering te zien als een verslindend roofdier. Bitter-komische transformatie van de werkelijkheid zou je het kunnen noemen. Zo worden de mooiste vondsten teruggebracht tot geheugenzwakte. Hermans is niet gezegend met zijn bewonderaars, maar het is natuurlijk niet toevallig dat hij dit soort kereltjes aantrekt. Als er ooit een Hella Haasse-verzamelkrant komt, zal die vast een vriendelijker toon hebben.

Hermans heeft eens een onvergetelijk beeld van de roem gegeven. Het ging over de zwemmende filmster Esther Williams, die in de jaren na de oorlog heel populair was. Hoeveel hitsige bewonderaars zullen zich niet hebben afgetrokken met de gedachten bij Esther Williams, vroeg Hermans zich af. Hele zwembaden zag hij vol met het sperma van de fans van Esther Williams. De jongens van de verzamelkrant zouden zeker opmerken dat zijn geheugen faalde en dat de zwembaden van de filmster gewoon met water waren gevuld, maar daar gaat het nu niet om. Welk meisje zou niet dromen van een zo massale aanhankelijkheid? Maar welk meisje zou zich nog gewoon kunnen gedragen en een minnaar onbevangen tegemoet treden, denkend aan al die zwembaden?

En zo moet ook de schrijver het benauwd krijgen als hij denkt aan al die huiskamers waar zijn bewonderaars zich verkneukelen over zijn scherpe polemieken en waar van honderdduizend Bob Polaks een smalend kakelend gelach opgaat van leedvermaak met de slachtoffers van de bewonderde schrijver. Wie langdurig blootstaat aan de bewondering van een groot publiek heeft de neiging om te verstenen. Het is te zien aan de politici en de televisieartiesten. Na een tijdje worden het poppen die zichzelf spelen, ook als ze niet in functie zijn. De aandacht van de massa zuigt het leven uit hen weg en vult hun lichamen met cement. Onze meest geliefde schrijvers hebben aan die verstening niet helemaal kunnen ontkomen. Het is een proces waar alleen koningen en koninginnen, die er van jongs af aan op worden voorbereid, waardig mee om kunnen gaan. Bij een argeloze prins-gemaal neemt de verstening binnen korte tijd verschrikkelijke vormen aan. Geen wonder dat de schrijvers naar het buitenland gaan, om zich te onttrekken aan de slechte vibraties van de dodelijke bewondering.

Afgelopen vrijdag was Hermans op de televisie bij RTL 4. Hij maakte grappen waardoor ik ook wel eens aan zijn geheugen twijfelde, zoals toen hij zei dat Wim Kok vroeger de universiteiten wilde platbranden, maar misschien was dat ook als bitter-komische transformatie van de werkelijkheid bedoeld. Soms zag je hem een groot papier voor de dag halen, waarop stond wie het volgende slachtoffer moest zijn. Met dat papier liet Hermans zien dat hij Hermans speelde, zijn versteende zelf. Ik was geroerd toen hij zei dat hij het leven een beetje vervelend begon te vinden en ik had de neiging om naar het scherm te roepen: “Kop op, denk toch aan al uw bewonderaars!” maar dat zou geen zin hebben, want aan die bewonderaars ligt het nu juist.