Kiezersbedrog

De spraakmakende politieke groeperingen hebben alle hun ontwerp-verkiezingsprogramma gepubliceerd. De partijen trekken mondjesmaat geld uit voor nieuw beleid. In totaal stellen CDA, VVD, PvdA en D66 zo'n twee tot drie miljard gulden beschikbaar, bovenal voor meer politie en investeringen in infrastructuur. Alle partijen vinden het tekort op de overheidsuitgaven te groot en het lastenpeil te hoog. Zij spiegelen de kiezer zowel vermindering van het tekort als belastingverlaging voor. Op papier krijgen partijen de financiële verantwoording van hun programma rond door tevens bezuinigingen in het vooruitzicht te stellen. De ombuigingen liggen tussen de acht en de tien miljard gulden (PvdA, CDA, D66). De ambities van de VVD, die zeventien miljard wil besparen, vormen een uitzondering. De concrete invulling van de bezuinigingsplannen is pover. Het programma van de christen-democraten vertoont op dit moment overigens nog een "gat' van drie miljard gulden. Alleen door alsnog aanvullende ombuigingen in deze orde van grootte te treffen, kan het CDA de beloofde tekortreductie en lastenverlichting waar maken. De liberalen zitten zelfs met een vergelijkbaar "gat' van 4,5 miljard.

In deze vorm lijken de ontwerp-programma's een stapeltje loze beloften waar een nietje doorheen is geslagen. Alle partijen formuleren de financiële gevolgen van hun plannen namelijk ten opzichte van meerjarencijfers' voor de openbare financiën. Ambtenaren van het ministerie van financiën zijn bij die prognoses uitgegaan van ongewijzigde voortzetting van bestaand beleid tot en met 1998. Voor de komende kabinetsperiode hebben zij verder rekening gehouden met gematigd stijgende lonen en prijzen alsmede met een iets oplopende rente.

De geschiedenis leert dat zich regerendeweg ook in de periode 1994-1998 onvoorziene tegenvallers zullen voordoen. In het afgelopen decennium kreeg elk van de drie kabinetten-Lubbers te maken met tegenvallers van per saldo zeven miljard gulden. Burgers mogen er gerust van uitgaan dat de budgettaire geschiedenis zich zal herhalen.

De huidige meerjarencijfers voor de rijksuitgaven zijn opnieuw kwetsbaar, omdat daaraan grote politieke en financiële risico's kleven. Twee voorbeelden volstaan ter illustratie van de politieke risico's. In de meerjarencijfers zijn bezuinigingen van anderhalf miljard gulden verwerkt wegens kortingen op allerlei subsidies. Die zullen maar voor een deel worden bereikt. Zo staat de voorgenomen korting van 150 miljoen gulden op subsidies voor het ouderenbeleid door recente maatschappelijke protesten sterk ter discussie.

Ingeboekt is voorts de opbrengst van een verlaging van alle uitgaven voor sociale voorzieningen met één procent per jaar, vanaf 1994. Samen met andere versoberingen in de sociale zekerheid is deze ingreep goed voor een besparing van bijna twee miljard gulden. Vermoedelijk is de actieve achterban van de grote partijen zich er niet of nauwelijks van bewust dat hij stilzwijgend akkoord gaat met deze en andere ingrijpende ombuigingen, door de meerjarencijfers als ijkpunt voor het partijprogramma te aanvaarden. Voor zover onderdelen van het uitgestippelde meerjarenbeleid op onoverkomelijke politieke bezwaren stuiten, zal in de financiële verantwoording van partijprogramma's alsnog de benodigde extra dekking moeten worden aangewezen.

Kwantitatief van veel grotere betekenis zijn inmiddels de risico's die eigen zijn aan de meerjarencijfers zelf. Om te beginnen moet 2,6 miljard aan ombuigingen op de rijksbegroting nog worden geconcretiseerd. Miljardenrisico's doen zich voor bij de rente-uitgaven, de verwachte aardgasbaten en de ingeboekte oploop van de loonsom. De uitgaven voor asielbeleid en vreemdelingenzaken worden in de meerjarenramingen met ten minste een half miljard onderschat, doordat na 1994 wordt uitgegaan van een plotsklaps sterk dalende instroom.

Het beloop van de uitgaven uit hoofde van de sociale verzekeringen hangt in hoge mate af van de veronderstelde groei van het aantal uitkeringsontvangers (volume). Het grootste risico tekent zich af bij de uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid. Hier wordt vanaf 1994 een geringe volumedaling verondersteld, als gevolg van de recente beperking van wettelijke aanspraken. Door de massale bijverzekering van het WAO-gat lijken mogelijke volume-effecten te zijn overschat. Valt het aantal mensen met een Ziektewet- of WAO-uitkering tienduizend hoger uit, dan bedraagt de tegenvaller direct al 400 miljoen gulden.

De komende jaren staan de zorguitgaven onder sterk toenemende opwaartse druk, onder invloed van de vergrijzing van de bevolking, medisch-technologische ontwikkelingen en verzet van belanghebbenden tegen rantsoenering en wachtlijsten. Hoogstwaarschijnlijk is het meerjarenbeeld van de zorguitgaven daarom (sterk) geflatteerd. Te verwachten overschrijdingen in alleen de zorgsector tellen al op tot drie miljard gulden.

Het "manco' in de financiële meerjarencijfers laat zich aldus becijferen op ten minste negen miljard gulden. Het gaat enerzijds om nog niet concreet ingevulde bezuinigingen (2,6 miljard), anderzijds om te optimistische aan de meerjarencijfers ten grondslag liggende uitgangspunten (6,4 miljard). Het volgende kabinet, van welke politieke samenstelling ook, moet dus voor negen miljard aan extra bezuinigingen concretiseren om zich aftekenende gaten in de meerjarencijfers te dichten. Geen van de partijprogramma's wijdt aan deze kwestie evenwel een woord. Dat riekt wel heel erg naar kiezersbedrog.