Golf van vrijlatingen Palestijnen op komst in Israel

TEL AVIV, 19 OKT. Moeten ook Israeliërs die Palestijnen hebben vermoord op vrije voeten worden gesteld als de gevangenissen binnenkort opengaan voor duizenden Palestijnen van wie sommigen “joods bloed aan hun handen hebben?”

Met de hervatting van de besprekingen tussen Israel en de PLO, morgen in Taba, overheerst deze vraag het vredesdebat in de joodse staat. De Israelische en Palestijnse onderhandelaars zullen zich in dit vakantieoord op Egyptische bodem, net ten zuiden van Eilat, buigen over de vrijlating van Palestijnse gevangenen en het afbakenen van het Palestijnse autonomie-gebied rond de stad Jericho op de westelijke Jordaanoever.

De laatste kwestie is om strategische redenen aanzienlijk belangrijker dan het vrijlatingsvraagstuk maar aan de intensiteit van de discussie hier is dat niet te merken. De zeer emotionele debatten maken duidelijk dat met het spoedig openen van de gevangenissen voor de Palestijnen vanuit het Israelische sentiment de kern van het langdurige en bloedige gevecht met de Palestijnen wordt geraakt.

Het in vrijheid stellen van Palestijnen die tegen de Israelische bezetting hebben gevochten is, na alles wat er sinds de handdruk tussen premier Yitzhak Rabin en PLO-leider Yasser Arafat, op 13 september, al is gebeurd, het tastbare bewijs dat het einde van de Israelische heerschappij over de Palestijnen snel nadert.

Vandaar dat het felle verzet tegen het afpellen van deze schil van het Israelisch-Palestijnse conflict uit de Israelische nationalistische hoek komt. “Hoe is het mogelijk dat wij Palestijnse terroristen vrijlaten die Israels burgers opnieuw bedreigen. Is Rabin soms gek geworden?” Zo luidt de bekende intimidatie-taal waarmee de tegenstanders van de vrede tussen Israel en de PLO de regering Rabin te lijf gaan. “Waarom dan ook niet Israeliërs vrijlaten die Palestijnen hebben gedood”, werd vanuit de nationalistische hoek voorgesteld in een poging het vredeskamp de mond te snoeien. De naam van Ami Poper viel, de man die in 1970 zeven Palestijnen nabij Tel Aviv neermaaide en daarvoor levenslang uitzit.

“Daar ben ik voor”, zei gisteravond de Palestijnse onderhandelaar Zyad Abu Zyad in perfect Hebreeuws tijdens een TV-debat. “Ik zal uitleggen waarom. Ami Poper wist niet wie hij doodde. Hij handelde als een nationalist. Dat deden ook de Palestijnen die voor de vrijheid streden. Ook zij kenden hun slachtoffers niet. Ami Poper en Palestijnen die doodden zijn slachtoffers van het Israelisch-Palestijnse conflict geworden. Nu we over verzoening en vrede spreken is het een goede zaak hem en de Palestijnen vrij te laten.”

Vijf Israeliërs zitten wegens het doden van Palestijnen uiteenlopende gevangenisstraffen uit. Het aan de orde stellen van de vrijlating van Ami Poper als tegenhanger van het openen van de gevangenissen voor duizenden Palestijnen stuit op felle tegenstand van Yosef Harish, de juridische adviseur van de regering. Dat kan volgens hem alleen gebeuren indien president Ezer Weizman aan Poper gratie verleent of het Israelische parlement, de Knesset, een op hem afgemeten wet aanneemt.

“Ami Poper deed dingen die ernstiger zijn dan de terroristische daden die de PLO beging”, zei Harish volgens een citaat uit het blad Yedioth Achronoth van vandaag. Nog niet zo lang geleden zou zo'n uitspraak uit de mond van een hoge Israelische gezagsdrager ondenkbaar zijn geweest. Nu zal er wel een storm van verontwaardiging over opsteken maar die zal zoals stormen eigen is wel overgaan.

Dat Israel en de PLO in een serieuze vredesdialoog zijn gewikkeld is direct en indirect het hoofdthema van vrijwel al het Israelische nieuws. De mensen wennen er aan, het wordt zelfs zo gewoon dat het centrale comité van de grootste oppositiepartij, Likud, vandaag in Tel Aviv bijeenkomt om te proberen een wat constructievere oppositie tegen de regering Rabin te voeren uit vrees de greep op een deel van haar kiezers te verliezen. “Nee en nog eens nee”, is nu al een verloren koers.

Sedert 13 september doen Israelische correspondenten vanuit Tunis uitvoerig verslag over de ontwikkelingen in de PLO, vooral over de manier waarop Yasser Arafat met kunst en vliegwerk zijn standpunten aan de verschillende organen van de PLO oplegt. In het blad Davar maakt Shmuel Segev vanuit Tunis vandaag gewag van een hard gesprek tussen Yasser Arafat en 35 leiders van de Palestijnse volksopstand in de bezette gebieden, de intifadah, die met Israelische toestemming naar zijn hoofdkwartier in Tunis waren gekomen.

De PLO kreeg het wegens zijn concessies aan Israel zwaar te verduren. Nooit had hij met minder dan bevrijding van alle bezette gebieden, ontruiming van alle nederzetting en erkenning van het recht op Palestijnse terugkeer genoegen mogen nemen. Yasser Arafat kreeg van deze achter de schermen opererende invloedrijke Palestijnen in de bezette gebieden te horen dat zij en niet hij de intifadah waren begonnen en jaren lang de last van de opstand alleen hadden gedragen. Volgens het verslag in Davar antwoordde Arafat dat de PLO sedert 1967 alleen tegen Israel had gevochten terwijl de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden betrekkelijk passief bleef, tot de uitbarsting in december 1987 natuurlijk.

De naar Tunis gekomen Palestijnse intifadah-strijders hielde Arafat voor dat “de Palestijnen ondanks hun haat tegen de Israelische bezetters veel van Israel hadden geleerd, in het bijzonder het belang van democratie, vrije pers en vrijheid van meningsuiting”. Daarom spraken zij zich zo openlijk uit.

Met de Hebreeuwse uitdrukking "rekah, rekah' (wacht even) onderbrak Yasser Arafat hen, waarmee hij volgens Davar wilde zeggen: “Ga niet te ver in het prijzen van Israel.”