Gedichten over oudjes

Maatstaf 1993/8. De Arbeiderspers, 86 blz.ƒ17,50

Boffen met Maatstaf: nieuw proza van F.B. Hotz, een fantastisch verhaal van Helga Ruebsamen, en een mooi uitgevoerd portfolio met werk van Hugo Claus (verzen) en beeldhouwer Reinhoud D'Haese (etsen). In "Rouw': “Ik hield van die schedel en van het vlees eromheen. / Hij was pappig, grappig. Bijna zoals ik. // Het knielen moe, voor wie het ook vroeg. / Had ook al die tijd het verlies van wat hij niet was. // Die rouw van mij, het geschetter van een ekster, / verontrust alleen de slakken, de kakkerlakken.”

Paul Gellings droeg vijf van zijn sprekende gedichten bij - “waar eens de stad in water // overging? Waar eens de boten snikken / heetten en ik mijn mond voor het laatst / verzwikte op jouw marmeren masker.”

Hans van Straten solliciteert in zijn rubriek "De omgevallen boekenkast' naar de post van "conservator in de buitendienst' bij het Letterkundig Museum en corrigeert een fout die W.F. Hermans ruim veertien jaar geleden maakte in een stuk over Léautaud voor het Cultureel Supplement.

Gedichten over oudjes komen van Marc Tritsmans. Grootmoeders slaap: “Geen sprake van reumatische knoken, / niet het weerbarstig gebit dat past / bij een eerdere mond. (-) Op deze plek / van bewaring kan het mooiste nog / eens worden overgedaan. Het stramme / ontwaken is alleen maar een kwade droom.”

    • Margot Engelen