De verdwenen Burgerbrieven

In recente artikelen op de opiniepagina van NRC Handelsblad van B. de Graaff (30 september) en van Hol, Groen en Van Zeeland (11 oktober) is de al lang sluimerende discussie binnen de Nederlandse archiefwereld eindelijk in de openbaarheid gekomen.

Historici, maar ook vele anderen onder wie politicologen maken zich grote zorgen over het toekomstige officiële bewaarbeleid van archiefstukken. Wat mij, als zeer frequent gebruiker van overheidsarchieven, verbaasde, was de teneur in de bijdragen van Hol en Groen. Hol's bijdrage ademde een sfeer van “Wetenschapper: ga rustig slapen want de overheid gaat zorgvuldig met de archieven om.” Groen daarentegen beweerde dat historici te lang aan de zijlijn hebben gestaan.

Het zijn benaderingen waar ik met een tweetal voorbeelden uit de praktijk het volgende tegen in wil brengen.

Reeds geruime tijd zijn B. de Graaff en ondergetekende bezig om door middel van een procedure bij de Raad van State toegang te krijgen tot de archieven van de Inlichtingendienst Buitenland (IDB). Deze archieven van de zojuist opgeheven IDB vallen onder het ministerie van Algemene Zaken en ons werd gruime tijd geleden door dit ministerie de toegang geweigerd. In de juridische procedure voor de Raad van State ontdekten wij dat een belangrijk document was verdwenen. Het betrof hier één van de belangrijkste documenten uit de spionagezaak Reydon/de Jager, het "Damage Assessment' rapport. Dit document is een omvangrijk schaderapport dat elke Buitenlandse Inlichtingendienst opstelde als een missie mislukte. Reydon en de Jager werden in 1961 in de Sovjet-Unie gearresteerd op verdenking van spionage.

Kortom, er schortte wellicht iets aan het archiefbeheer bij de IDB en wij hebben de minister van WVC die verantwoordelijk is voor 's lands archiefbeheer daar dan ook attent op gemaakt. Hoewel Algemene Zaken tijdens een hoorzitting bij de Raad van State meedeelde dat er inderdaad een document was verdwenen, antwoordde minister d'Ancona op de Kamervragen dat “er niet kon worden gesproken van het verdwijnen” van een rapport. In een persoonlijke brief hebben wij minister d'Ancona attent gemaakt op de discrepantie tussen datgene wat Algemene Zaken beweerde met betrekking tot het verdwijnen van een IDB rapport en haar beantwoording van de Kamervragen. Wij konden dit aantonen via het proces-verbaal van de zitting van de afdeling rechtspraak van de Raad van State. Er was degelijk gesproken over een rapport dat verdwenen was. Minister d'Ancona liet ons echter weten geen aanleiding te zien een ander standpunt in te nemen.

Een voorbeeld uit de praktijk waaruit blijkt dat wetenschappers wel degelijk initiatief hebben ondernomen maar dat dit nu niet direct door de betrokken instanties is opgepakt. In dit verband zie ik met spanning uit naar de conceptvernietigingslijst voor de IDB om te zien of nog steeds een "reconstructie van het overheidsbeleid op hoofdlijnen' (het befaamde PIVOT criterium van Hol) voor wat betreft de IDB mogelijk zal zijn. De vrees is echter dat er al teveel is vernietigd.

Een tweede voorbeeld heeft wederom te maken met het ministerie van Algemene Zaken. Een aantal jaren geleden werd ik door een archivaris attent gemaakt op een prachtige collectie bij dit ministerie, de zogenaamde "Burgerbrieven'. Het moest een prachtig bestand betreffen van brieven op alfabet die Nederlanders sinds 1945 aan de minister-president hadden geschreven. Het leek mij een mooie studie in boekvorm waard want deze collectie vormde als het ware een reflectie van datgene wat de samenleving bezighield.

Mij kwam nadien ter ore dat deze collectie inmiddels vernietigd was en ik bracht dit onder de aandacht van de Algemene Rijksarchivaris. Die liet mij op 17 juni jongstleden weten dat in de collectie "burgerbrieven' door het ministerie van Algemene Zaken werd geselecteerd zonder dat hiervoor een machtiging bestond. Een deel van de burgerbrieven was gevoegd in bestaande dossiers. Uit deze brief bleek niet dat er verdere actie werd ondernomen. Geen reden dus om rustig te gaan slapen.

De verwarring werd nog groter toen ik op 6 juli wederom een brief kreeg van de Algemene Rijksarchivaris waarin de eerdere brief werd aangevuld met de mededeling dat er toch was vernietigd op basis van een vernietigingslijst van het ministerie van Algemene Zaken. Mij is thans nog steeds niet duidelijk of er nu wel of niet conform de regels is gehandeld. Ook uit dit voorbeeld blijkt dat wetenschappers wel degelijk initiatieven ontplooien. De respons van de voor het archiefbeheer verantwoordelijke instanties is echter niet altijd bemoedigend te noemen.

    • Cees Wiebes