Bezoek aan het slachthuis

Met de varkensprijs is het dezer dagen slecht gesteld. Tegen normaal ƒ 3,50 per kilo geslacht gewicht brengen ze nu maar ƒ 2,30 op. En dan hebben we het over standaardvarkens, want er bestaan tegenwoordig ook gecertificeerde oftewel programmavarkens, die worden vetgemest in de zogenoemde Integrale Keten Bewaking. Maar supervarken of niet, hun lot is hetzelfde: massale slachting onder zulk afschuwelijk voorafgaand gekrijs dat de drijvers in het slachthuis oordopjes dragen, waardoor zij in ieder geval de stress-ontspannende muziek in de ontvangsthal niet kunnen horen.

Tweemaal per jaar organiseert de Noordbrabantse christelijke boerenbond NCB themadagen voor journalisten die zich met de agrarische stand bezighouden. Daaraan is altijd een instructieve excursie verbonden: gezellig samen in de bus met allemaal vriendelijke en openhartige dames en heren van de standsorganisatie en tussen de middag een voortreffelijke lunch. En lang daarna nog de penetrante ammoniaklucht op de papillen en die ene grote jammerklacht van de boerenstand in de oren. Want het gaat de branche niet voor de wind en, zo luidt het gezegde, als een boer ophoudt met klagen is 't in het laatst der dagen.

Natuurlijk gaat de excursie niet naar akkers waarop boeren clandestien hun overtollige mest hebben gedumpt, naar veehouderijen die kwistig spuiten met groeibevorderend doch verboden clenbuterol of naar bedrijven waar het beest beestachtig wordt behandeld door trappen voor de kop. Het gaat naar boerderijen die voorbeeldig werken en keurig zijn opgeruimd; waar de dierenarts toezicht houdt op mogelijke ongerechtigdheden bij het inladen van varkens met bestemming elektrocutie en uiteindelijk de dolksteek recht in het hart en waar men tegenwoordig zelfs beschikt over zogenoemde sneldiensten om "wrakke' dieren zo diervriendelijk mogelijk van het bedrijf te verwijderen. Voor de kosten hoeft men dat niet te laten: 70 gulden per "wrak' dier en wellicht brengt het nog iets op in het slachthuis, want alle kleintjes helpen tegenwoordig.

De laatste maal ging de themadag over Het dier op het agrarisch bedrijf en daar, zo moet de indruk zijn, is beslist niks mis mee. Een mestvarken zit tegenwoordig niet meer ingesnoerd; het staat de koninklijke ruimte ter beschikking van 65 centimeter in de breedte en 2.10 meter in de lengte tussen stalen spanten. Zelfs wordt hier en daar al aan groepshuisvesting gedaan, maar dat valt niet mee want een varken kan hevig overspannen raken waarbij het 't schuim op de bek komt en dan wil het nog al eens een aanslag doen op het haasje van zijn soortgenoot voordat de tijd daar rijp voor is.

Het varken anno 1993 wordt beschermd krachtens het Varkensbesluit. De ingrepen die erop worden gepleegd zijn alleen toegestaan als daardoor het welzijn van het dier wordt bevorderd. Het knippen van de hoektanden, het bij jonge varkentjes breken van de tanden, het couperen van de staart om kannibalisme te voorkomen (zoals een Brabantse varkensdeskundige meent “in het laatste stukske zitten bijna geen zenuwen dus is het ongevoelig voor bijten”), het stansen in de oren van oormerken of het castreren van de mannelijke varkens opdat het koteletje blijft gevrijwaard van beregeur; dat mag nog allemaal. En daar moet men ook niet te veel mee zitten, want kom: er is ook nog zoiets als “het belang van de sector”.

Een van de programmapunten van de excursie was dit keer een bezoek aan het allermodernste slachthuis van de Encebe in Helmond. Daar worden in een onafgebroken stroom per uur 400 varkens geslacht: 27.000 in de week. Wat uit dierkundig en humaan oogpunt abnormaal is, is hier tot het normale verheven. Daar is, zo hoort men steeds weer, de volgende rechtvaardiging voor te vinden: staat aan het einde van de slachtlijn immers niet de hongerige consument likkebaardend te wachten op zijn stukje vlees dat vooral goedkoop moet zijn?

De plek van aanvoer heet de aankomsthal. Daar wordt een ontspannend muziekje gespeeld en daalt uit de sprenkelinstallatie in het plafond gedurig water neer, wat de beesten die bij aankomst over heel het lijf staan te rillen tot kalmte zou brengen. Vlees van een gespannen varken is immers lang zo goed niet van samenstelling als dat van een varken dat relaxed de dood tegemoet gaat. Voor dat "relaxen' staat gemiddeld twee uur.

Daar staan ook de mannen van het ontvangstcomité. Meestal is hun geroep of het geklap van hun handen voldoende om de dieren de gewenste richting in te krijgen, maar in menig borstzakje zit toch de drijver die elektrische schokjes door het onwillige varkenslijf jaagt en allen hebben ze een holle plastic staaf in de hand die somwijlen neerkletst op ruggen en schonken. Zo komt er een hele processie op gang. Die begint langs een voor een buitenstaander ingewikkelde weg, die ingenieus met hekken is afgerasterd en die eindigt in een stalen smalte, aan het einde waarvan het varken - op de zijde gekanteld - de stroomstoten krijgt die het buiten westen brengen. Waarna de dodelijk hartstoot volgt. Als ze het zover al halen, want in een ton buiten de ontvangsthal lag het lijk van een vroegtijdig gesneefd varken.

Natuurlijk kan men al die in doodsnood verkerende varkens niet allemaal recht in de ogen kijken. Toch zal ik niet gemakkelijk het linker oog vergeten van het beest dat me drie meter vóór zijn onherroepelijke einde smekend om hulp aankeek. Te laat. Ook dit keer was de mallemolen niet meer te stoppen. Even later zag ik het terug: aan de poten aan een ketting hangend temidden van zijn kornuiten; leeggebloed, waardoor het lijk de kleur had van een marsepeinen varken.

Eens wellicht zal ik het in gedeelten wederzien: in verse worst of ham, maar daar zal ik - evenmin als het varken - weet van hebben.