"Als ze komt met d'r zwarte zooitje, dan maak ik haar af'

“Bent u rustig?” vraagt de Utrechtse politierechter, mr. L. Voncken.

De verdachte knikt. “Als het uit de hand loopt, ben ik weg”, zegt hij.

“Ja”, zegt de rechter, “dan is daar de deur, hè, dat hebben we de vorige keer afgesproken.”

De verdachte, Albert Koster, is een forse, morsige man van achterin de veertig. Hij oogt niet agressief, maar dat zegt niets. Bij de eerste behandeling van zijn zaak moet hij zich hevig hebben opgewonden. Vandaag heeft hij een reden temeer om zich te ergeren, want ook de aangever is aanwezig: mevrouw Esseboom die opgeroepen is om te getuigen. Zij is een jonge Surinaamse vrouw met hoog opgestoken kapsel.

Anderhalf jaar geleden fietste mevrouw Esseboom - met haar dochtertje achterop - door een park in Amersfoort, waar Koster juist zijn honden uitliet. Fietsen is verboden in dat park. Mevrouw Esseboom negeerde het verbod omdat zij haar dochtertje op deze stille plek wilde leren fietsen. Koster kon het niet aanzien. Nog kort tevoren was zijn zoon in het park bijna overreden door een snorfietser.

Wat deed Koster dus? Hij hield mevrouw Esseboom staande, pakte haar haar fiets af en gooide die vervolgens met een reuzensmak aan de kant.

“Ik gooide hem over haar hoofd, ik heb haar niet geraakt”, zegt Koster. “Ik was over de rooie.”

Volgens Koster zou mevrouw Esseboom - tastend in haar tasje - daarop gezegd hebben: “Ik schiet je kapot.”

Voorlopig volstond ze met hem in zijn hand te bijten.

Mevrouw Esseboom heeft een heel andere lezing van de schermutselingen. Zij beweert dat de fiets haar wel degelijk heeft geraakt en dat ze vervolgens ook nog een persoonlijke aframmeling kreeg.

“Waar heeft de fiets u geraakt?” wil de rechter weten.

“Dat weet ik niet meer. Het is zo lang geleden. Ik dacht eigenlijk dat deze zaak was afgerond. Ik had de verschrikking al van me afgezet.”

“Dus u vindt het vervelend om hier te zijn?”

“Heel vervelend.”

“Het is uw woord tegen het zijne. Daarom moest ik u laten komen.”

“Op het politiebureau hebben ze mijn verwondingen gezien. Mijn kleding was stuk. Ik was er helemaal kapot van. Het kwam voor mij op een ongelegen moment, mijn man was een poosje tevoren overleden.” Ze voegt er met grote nadruk aan toe: “Deze man heeft me met mannelijke kracht geslagen.”

Koster keert zich op zijn stoel naar haar toe, zijn gezicht is rood aangelopen en zijn lichaam lijkt opeens stijf van woede. Hij schreeuwt: “Dat lieg je! Dat lieg je!” Hij komt overeind en even lijkt het erop dat hij haar zal aanvliegen. Maar dan wendt hij zich bruusk af en loopt op een drafje naar de deur, roepend: “Ik ga weg.”

Mevrouw Esseboom blijft er opvallend rustig onder. De rechter vraagt haar of ze meteen na het incident een doktersbehandeling heeft ondergaan. “Mijn dokter weet er wel van”, zegt ze vaag. “Daarna ben ik naar het Riagg gegaan.”

“Ik heb anders niets van een doktersbehandeling in de stukken aangetroffen”, zegt de rechter. Hij reageert niet zonder scepsis op haar verklaring. Zo signaleert hij dat zij na het incident een poosje kort achter Koster bleef lopen. Hij vraagt zich af hoe dat te rijmen valt met haar pijn en angst.

“Ik wilde weten in welke flat hij woonde”, zegt mevrouw Esseboom. “Toen heb ik de politie gebeld.”

Feit is dat ook Koster zèlf de politie heeft gebeld - zozeer voelde hij zich kennelijk bedreigd door de hem achtervolgende vrouw. Toen de politie arriveerde, kwam Koster uit zijn flat gestormd en riep hij ten overstaan van alle aanwezigen tegen mevrouw Esseboom: “Die zwartjes denken dat zij alles mogen...als zij komt met d'r zwarte zooitje, dan heb ik een honkbalknuppel achter de rug en dan maak ik haarr af... vieze zwartjoekel, ga terug naar je eigen land.”

Koster wordt daarom niet alleen van mishandeling beschuldigd, maar ook van discriminatie. “Ik heb die dingen inderdaad gezegd”, heeft hij eerder gezegd. “Normaal zou ik dat nooit hebben gedaan.”

Kosters advocaat, mr. F. Weijzen, maakt het mevrouw Esseboom tamelijk lastig. “Was u vóór dit gebeuren al onder behandeling bij het Riagg?” vraagt hij.

“Mijn man was overleden, ik was al een tijdje niet meer bij het Riagg geweest.”

De rechter laat Koster weer binnenkomen, nadat mevrouw Esseboom is vertrokken.

“Weer bijgekomen?”

“Gaat wel.”

“U bent al driemaal eerder wegens bedreiging met geweld veroordeeld. Kennelijk bent u een opvliegend persoon.”

“Dat valt wel mee. Ze hebben een keer mijn vrouw voor hoer uitgemaakt.”

“Wat zijn uw inkomsten?”

“De bijstand. Ik ben te oud om te werken.”

De officier van justitie, mr. W. Koreman, eist een boete van vijfhonderd gulden of tien dagen hechtenis. De advocaat trekt het letsel bij mevrouw Esseboom in twijfel. Hij noemt haar reactie hysterisch en wijt dat aan haar onevenwichtigheid - reden waarom ze al eerder bij het Riagg behandeld werd. Over de discriminerende uitspraken van zijn cliënt zegt hij: “Het zijn geen weloverwogen uitlatingen. Deze man is nota bene een CDA-stemmer. Hij heeft in een emotionele bui dingen gezegd die niet kunnen. Het openbaar ministerie tilt hier te zwaar aan. Ik hoorde laatst op tv iemand weloverwogen keiharde, discriminerende opmerkingen maken en die werd kennelijk niet vervolgd...”

“We zitten hier niet om het beleid van het openbaar ministerie in het algemeen te beoordelen”, onderbreekt de rechter hem scherp.

De verdachte krijgt het laatste woord. “Als ik haar écht drie minuten lang geslagen had, zoals zij beweert...” zegt hij op een toon alsof het hem spijt dat het niet zover gekomen is.

De rechter acht bewezen dat Koster mevrouw Esseboom in ieder geval één maal heeft geslagen. Verder gelooft hij niet dat Koster in het algemeen discriminerende opmerkingen over een bevolkingsgroep heeft willen maken. Maar hij veroordeelt hem wèl voor discriminerende opmerkingen aan het adres van die ene persoon, mevrouw Esseboom. Hij legt hem een boete van vijfhonderd gulden op waarvan 250 gulden voorwaardelijk.

Daar kunnen Koster en zijn advocaat wel mee leven: ze gaan niet in beroep.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.