WIEL KUSTERS: Oejaaa!

'Oejaaa!' riep mijn moeder, toen ik geboren werd, juni 1947, in Spekholzerheide, Zuid-Limburg, vlak bij de Duitse grens. "Oejaaa!' Ik denk dat ze dat riep. “'t Fina hat inne jong,” zeiden de buurvrouwen tegen elkaar.

"Oejaaa!' Een mengeling van verbazing en pijn, in het Rijnlandse dialect waarin ik geboren ben. Een kreet die met het Hollandse "Ojee!' nauwelijks vertaald kan worden. De klanken maken dat onmiddellijk duidelijk. "Oejaaa!' Donkere klanken, zeer aards, op de grens van loeien. Verwondering schuilt erin, pijn, zoals ik al zei, maar ook een element van bevestiging en aanvaarding. Alsof er vanuit de grond van een hart "ja' wordt gezegd. "Ojee!' is, vergeleken daarmee van een triviale parmantigheid.

Een dichter wordt bepaald door de taal waarin hij is opgegroeid en door het wereldbeeld dat de woorden en de klanken hem verschaffen. Als ik over de cultuur nadenk die mij vanaf de allereerste uren van mijn leven heeft omgeven, dan denk ik altijd dat die lichtzinnig en melancholiek tegelijk moet heten. Ook in Maastricht, waar ik nu eenentwintig jaar woon, zijn die woorden niet zonder geldigheid.

Het woord "lichtzinnig' wordt in dit verband snel verkeerd begrepen. Net als "frivool' of "oppervlakkig'. Ik zie lichtzinnigheid, in combinatie met een misschien wel fundamentele ernst, als een deugd. De lichtzinnigheid die ik bedoel, maakt ons een beetje los van de aarde, zonder dat wij daardoor gaan zweven. Zij heeft met spiritualiteit van doen, evengoed als met zintuiglijkheid en zeker niet met zonde- en schuldgevoelens. De naam Calvijn heeft mijn moeder nooit gehoord.

Met het oog op Frankfurter Buchmesse schreef Kees Fens een stuk over de literaire doorwerking van katholicisme en protestantisme in het Nederlandse taalgebied. En als ik het mij goed herinner, zei hij daarin onder meer, dat alle Nederlandse katholieken wel iets calvinistisch in zich hebben. Daar kan ik mij als het over Limburg gaat, helemaal niets bij voorstellen.

Als ik in het Cultureel Supplement van deze krant Maarten 't Harts beschouwingen lees over De Schrift schiet ik wel eens in de lach. Hoe fundamentalistisch - zo zeer naar de letter en zo weinig naar de geest - en met hoe weinig gevoel voor poëzie leest hij de bijbel: en dat terwijl hij zijn houding juist als zeer vrijzinnig en misschien wel afvallig beschouwt. Wanneer het evangelie spreekt over "de twaalf' op een moment dat Judas zich al verhangen heeft en er nog maar elf apostelen actief zijn, is dit voor hem een reden om aan "de waarheid' van het geschrevenen te twijfelen. Maar is het Nederlands elftal geen "elftal' meer, wanneer het noodgewongen met zijn tienen verder speelt?

Achter iedere letter schuilt zeer veel geest. Zou deze gedachte soms zuidelijk zijn? Zeker weet ik het niet. Waar ik mijn armen ook rek, / ik ben overal gek schreef de Maastrichtse dichter Pierre Kemp. Je zou bijna over het hoofd zien dat hij, op bijna carnavaleske wijze, over dezelfde furor spreekt als Hadewijch, de mystica.