Verleden achtervolgt Amerikanen in Haïti

De recente confrontatie tussen de Verenigde Staten en Haïti doet bij menige oudere Haïtiaan de bittere herinneringen herleven aan de Amerikaanse bezetting van 1915-1934.

Haïti was in 1804 een republiek geworden, nadat de zwarte inwoners hun Franse koloniale overheersers hadden verjaagd. De invloed van de Amerikanen in de regio was toen al groot. In de zomer van 1915 lynchte een woedende menigte in Port-au-Prince hun onpopulaire president Guillaume Sam.

Washington was er daarna van overtuigd dat de Amerikaanse belangen en de levens van Amerikaanse burgers in Haïti in gevaar waren en besloot tot actie. Op 28 juli 1915 zetten Amerikaanse mariniers voet aan wal op het westelijk deel van het eiland Hispaniola, de Haïtiaanse republiek.

De VS legden Haïti een koloniaal bestuur op. Franklin Delano Roosevelt, de latere Democratische president die toen Amerikaans onderminister van buitenlandse zaken was, schreef een nieuwe grondwet voor Haïti; de nationale bank van Haïti werd overgenomen door de New-Yorkse National City Bank. Het Haïtiaanse leger werd ontbonden en vervangen door een gendarmerie, geleid door de Amerikaanse mariniers. Duizenden landarbeiders werden door de Amerikanen opgepakt om dwangarbeid te verrichten. Wie weigerde werd afgeranseld.

Volgens oudere Haïtianen en historici deden de blanke Amerikaanse mariniers geen enkele moeite hun verachting en racisme jegens de zwarte Haïtianen te verbergen. “De Amerikanen zagen de Haïtianen als Afrikanen die de Fransen probeerden na te apen. De Haïtianen konden een dergelijke racistische neerbuigendheid moeilijk verkroppen”, schrijft de Haïtiaanse historicus Lyonel Paquin in zijn boek "The Haïtians'.

De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, William Jennings Bryan, zei in 1915: “Goeie genade, hoe is het mogelijk, nikkers die Frans spreken.” Bepaalde hotels, restaurants en clubs waren verboden voor zwarten. De mariniers deden ook opbouwend werk in Haïti met de aanleg van wegen, riolering en het bouwen van ziekenhuizen, maar die goede wil werd volgens historici teniet gedaan door hun arrogantie en onverbloemde racisme. Het werd zelfs een van de Amerikaanse commandanten, Albertus Catlin, te gortig. Hij keerde in 1918, na vijf maanden in Haïti te hebben gediend, vervroegd terug omdat hij zich niet langer kon verenigen met het gedrag van de mariniers die hij “een verzameling bruten” noemde.

In 1919 kwamen de Haïtianen in opstand tegen de Amerikanen. De gewezen Haïtiaanse officier Charlemagne Peralte gaf leiding aen een "guerrillaleger' van nauwelijks bewapende boeren. De Amerikanen sloegen de opstand nog hetzelfde jaar ongenadig neer, waarbij meer dan 13.000 Haïtianen om het leven kwamen. Peralte werd doodgeschoten door een marinier die zich had vermomd als Haïtiaan. Het halfnaakte lichaam van de opstandelingenleider werd in de noordelijke stad Cap Haitien door de Amerikanen publiekelijk ten toon gesteld, vastgebonden op een deur. In het tegenwoordige Haïti wordt Peralte vereerd als een volksheld.

Na negentien jaar, in 1934, kwam er een einde aan de Amerikaanse overheersing; het overgrote deel van de Haïtiaanse bevolking had steeds geweigerd om met de Amerikanen samen te werken. De bezetting liet diepe anti-Amerikaanse gevoelens na in Haïti.