Van Vlijmens versie van Schönberg haalt het niet bij Webern

Concert door Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart. Werken van Schönberg/Van Vlijmen, Berg en Mahler. Gehoord: 16/10 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 Vara 22/10 20.02 uur. Mahler: 7/11 12.50 uur Vara Ned. 3.

Louis Closson speelde veel te snel, zo luidde Arnold Schönbergs vernietigend oordeel, en hij voegde daar in telegramstijl op 9 februari 1912 in zijn dagboek aan toe: “Vergat alles wat ik hem gezegd had. Speelde door zonder een enkele pauze. Zodat geen mens begreep dat het zes stukken waren.”

Dit was niet het probleem zaterdagmiddag in het Concertgebouw, want daar werd beslist niet gehaast. Jan van Vlijmen had Schönbergs Sechs kleine Klavierstücke, opus 19 - waarvan de eerste vijf gedateerd zijn 19 februari 1911, maar de zesde pas vier maanden later ontstond onder de indruk van Mahlers dood - bewerkt voor groot symfonieorkest. Het podium puilde uit, zodat alleen al daardoor van een achteloos musiceren geen sprake kon zijn. In plaats van de door Schönberg zo gewraakte Franse slag klonk nu het Radio Filharmonisch Orkest eerder Duits-diepzinnig, donker gonzend, sonoor en uitgesponnen.

Dat Schönberg vijf stukken op één dag componeerde was - afgezien van de aforistische vorm - voor hem niet ongewoon. Hij werkte als in een roes, onder een constante hoogspanning als uiting van de mens die lijdt aan zichzelf en aan de mensheid zelf, persoonlijke ervaringen projecterend in een hoger bereik. Want, ofwel rent de muziek als een bezetene, panisch alle kanten op (delen 1/5), ofwel kan ze zich niet meer bewegen in een visionaire stolling (deel 6).

De aforistisch gecondenseerde stijl tekende het bankroet van de tonaliteit en de gebruikelijke vorm, er zijn geen hoofd- en bijzaken meer, elk moment telt. Maar al eerder explodeerde Schönberg in zijn onvoltooid gebleven Drei Stücke für Kammerorchester (1910) en het had voor de hand gelegen als Van Vlijmen hier zijn heil had gezocht. Maar de bewerker wilde Schönberg niet nacomponeren, behield liever de vrijheid voor een meer persoonlijke reflectie. Binnen het grote orkest vallen solistische frasen en accenten op (cello, celesta en hoorn onder meer), wat enigszins herinnert aan de techniek van Weberns Orkestminiaturen opus zes (1909) - er is altijd baas boven baas. Maar Van Vlijmens instrumentatie is eerder laat-romantisch dan vertwijfeld expressionistisch.

Scherpte onderbreekt. Bij Schönberg treffen heel wat bitse staccati, in het vierde deel aanvankelijk vlinderlicht, maar met een bizar hamerend uiterst brutaal slot. Veel beter lukte het tweede deel met zijn goedmoedige Prokovjef-tertsen. Maar nog het meest nieuwsgierig stemde de visionaire Mahler-epiloog, in wezen nauwelijks een pianostuk, verwijzend naar een mystieke strijkersklank, bij Van Vlijmen onder meer voorzien van een arpeggio-accent in de celesta dat de gehoorzenuw nog eens extra raakt.

Aan Alban Berg was die gecondenseerde stijl niet besteed, al betaalde hij er in opus 5 tol aan. Aan stollingen geen gebrek, maar aan breed uitwaaierende klanken evenmin, getuige de Drei Orchesterstücke, opus 6 (1914-1915, revisie 1923-1929) door Webern gedirigeerd met kloppend hart - “Oneindig moeilijke muziek” - en hij beperkte zich tot de eerste twee stukken. Het derde meest catastrofaal verscheurende deel, komt over als een pre-echo van Schnittke, die hierop nog verder is gegaan. Vaak verzandt dit deel in machteloos geweld als een geballte Schrei zonder eind. Echter niet bij het Radio Filharmonisch Orkest dat onder De Waart het Bergiaanse vuur brandende hield.