Svetlanov herinnert aan een ver verleden

Concerten: Residentie Orkest o.l.v. Jevgeni Svetlanov m.m.v. Silvia Marcovici, viool, en Roland Pöntinen, piano. Programma: muziek van Bach, Beethoven en Brahms. Gehoord: 15 en 17/10 Dr. Anton Philipszaal Den Haag.

Oude tijden lijken weerom te keren bij het Residentie Orkest onder leiding van de nieuwe Russische chef-dirigent Jevgeni Svetlanov, die gisteren in Den Haag door de Nederlandse regering het Nederlanderschap kreeg aangeboden. De drie concerten die Svetlanov het afgelopen weekeinde dirigeerde begonnen met de Air uit de Derde orkestsuite van Bach. Zulk repertoire in megabezetting is in ons land verdwenen van de reguliere concertprogramma's van de grote symfonie-orkesten sinds enkele decennia geleden de muzikale vernieuwing begon bij het Residentie Orkest: dáár dirigeerde Bruno Maderna, dáár ontketende Nikolaus Harnoncourt een revolutie met zijn uitgedunde Matthäus Passion, dáár klonken de avontuurlijke concertprogramma's van de nonconformist Piet Veenstra.

Maar oude tijden keren nooit geheel onveranderd terug. De Air klonk, gespeeld door zo'n zestig strijkers, zeker niet met een ouderwets volvet verzadigde klank. Het zacht pinkelende klavecimbeltje achterop het podium werd nooit overstemd en het orkest produceerde een licht en koel briesje, door Svetlanov methodisch, streng en saai gefraseerd.

Zuiver muzikaal hadden deze paar minuten Bach geen belang, het leek eerder een openbare oefening in gradaties van pianissimo om het orkest voor de rest van het concert bij de les te krijgen. En dat lukt de meester uitstekend: het Residentie Orkest speelt onder het alziend oog van Svetlanov weer opvallend punctueel: de strijkers vormen ook in de snelle figuren een perfecte eenheid, de blazers leven op, de balans is voorbeeldig en de samenwerking met de dirigent vindt plaats in een sfeer van enthousiast wederzijds respect.

Het Vioolconcert van Brahms kreeg vrijdag een opgefriste heldere uitvoering, alsof al het vernis was verwijderd. Soliste Silvia Markovici produceerde daarbij een strakke, bijna vibratoloze toon, waardoor de anders zo vervoerende lyriek een vaak wat kille uitstraling kreeg. Svetlanov gaf in telkens beheerst volgehouden en altijd gematigde tempi elk van de delen een volkomen eigen karakter en bracht pas in het slotdeel een vurige gloed aan, begeleid met onbekommerd tetterend koper. Als geheel was het misschien net niet helemaal overtuigend, maar er werd wat geprobeerd. Zondagmiddag was dat anders, Beethovens Vierde pianoconcert kreeg met de Fin Ronald Pöntinen als solist, een weinig geïnspireerde en erg gemiddelde uitvoering.

De Derde symfonie van Beethoven, de Eroica, kreeg aan het slot van alledrie concerten een ouderwets imponerende en indringende vertolking die soms herinnerde aan de Haagse dagen van Willem van Otterloo. Waar Svetlanov geheel naar eigen inzicht zijn gang kan gaan heerst hij als een dirigent met een grootse, klassieke stijl. Hij heeft alles in de hand en modelleert elke passage met grote zorg en aandacht. De omtrekken staan onwankelbaar vast, daarbinnen brengt hij een ongekende weelde van dynamische gradaties aan.

De dramatische concentratie die Svetlanov daarmee bereikt is overweldigend, zowel in de monumentale dodenmars in het tweede deel als in de Allegro-delen daaromheen, gespeeld met een intensiteit die Beethovens vrolijkheid op een hoger plan brengt, ook als daar een opzwepende Slavische dans klinkt. Svetlanovs Beethoven doet aan als een echo uit de vooroorlogse tijd toen Beethoven veel hoger werd geacht dan Mozart. Het bejaarde Haagse publiek herkende dat en kwam zelfs tot een zwak bravo-geroep.

    • Kasper Jansen