Op zondag

Vaak op zondag. Alsof ze dan wat minder uitgeslapen zijn. Of omdat ze juist op zondag langer blijven liggen.

Op de heenweg een ransuil. Hij stak een eindje uit de berm, hij lag een beetje als een roverhoofdman op de loer. Maar op zijn rug.

Je neemt hem op en ziet zijn oog. Zijn oog, dat fonkelt nog, dat heeft nog veel van edelsteen. Zijn verenkleed is nat van zondagsdauw.

Je onderzoekt hem op een ring. De poten zijn gerimpeld geel, de klauwen zijn gebald. Je denkt: dat is de klap geweest. De vogel in een luie vlucht, het laatste weiland over en de laatste sloot. De weg, een auto, pats. Verdomme, denkt hij nog, dat gaat niet goed, en balt zijn vuist.

Je legt hem aan de kant, want ja, hij is wel dood, maar verder niets. Je zou niet willen dat hij stukgereden werd.

Je gaat de polder in en denkt: misschien was het gebalde van die klauwen heel gewoon. Hoe houdt een uil zijn poten als hij vliegt? Wie weet er nou zoiets? Misschien weet zelfs een uil het niet. (Ik heb weleens een vliegende vogel onder zijn buik zien kijken, maar dat was een buizerd.)

Op de terugweg een blauwe reiger. Hij zat nog overeind. Hij probeerde nog wat met zijn vleugels. Zijn kop was net als anders; geen angst, geen pijn, alleen: ik moet hier weg. Er stonden mensen bij, ik ben maar niet gestopt.

    • Koos van Zomeren