In democratie heeft SGP recht vrouwen te weren

Is het onderzoek van de Rijksrecherche naar de SGP uit democratisch oogpunt gewenst? Dat is zeer de vraag. Want democratie veronderstelt de grootst mogelijke vrijheid van meningsuiting en vorming. En politieke partijen moeten vrijplaatsen zijn waar de uiteenlopende meningen van het volk stem krijgen.

De Rijksrecherche is een onderzoek begonnen naar de strafbaarheid van het SGP-besluit vrouwen als lid uit de partij te weren. Op 8 oktober jongstleden legde F. Janssens op deze pagina uit dat een strafrechtelijke vervolging waarschijnlijk weinig kans maakt. Afgezien daarvan is het zeer de vraag of een dergelijk onderzoek uit democratisch oogpunt gewenst is.

Vooral vanuit de vrouwenbeweging is bezwaar aangetekend tegen het SGP-besluit. Men beroept zich daarbij niet alleen op de wet Gelijke Behandeling maar ook op de grondwet, die discriminatie op grond van geslacht verbiedt. Dat is een zwaar argument, al blijkt de praktijk nogal wat uitzonderingen toe te staan. Exclusieve vrouwencafés zijn er misschien het meest in het oog lopende, maar de strenge segregatie in het Nederlands toiletwezen is er het meest banale voorbeeld van. Ironisch genoeg blijken sommige aanklagers van het SGP-besluit zelf graag bereid het grondwettelijk verbod op sexe-discriminatie op te schorten, wanneer daar althans het woord "positief' vóór staat.

Maar een politieke partij is geen willekeurige organisatie, zo werd onlangs op de opiniepagina van de Volkskrant betoogd. Ze staat in het centrum van het maatschappelijk en politiek debat en mag worden gemeten naar strengere maatstaven omdat ze daarin een voorbeeldfunctie moet vervullen. Dat is een interessant argument, omdat het terecht de bijzondere status van een politieke partij beklemtoont, maar dat gepaard laat gaan met een wonderlijke misvatting over het wezen en de functie van de democratie. Die frictie concentreert zich in het woord "voorbeeld'. Het suggereert dat politieke partijen bij uitstek gehouden zijn om het goede te doen. En wat dat behelst is bekend: het ligt vast in wetten en de constitutie.

Dit paternalistisch model staat haaks op datgene waartoe politieke partijen geroepen zijn: niet het goede te doen, maar vast te leggen wat het goede is, of liever gezegd: wat als het goede geldt. Binnen een parlementaire democratie wordt niemand geacht in het bezit van de waarheid te zijn. Het is het feilbare maatschappelijke debat dat beslist welke regels en normen als bindend worden aanvaard. Die beslissing is nooit definitief; wetten en constitutie kunnen altijd en door iedereen opnieuw ter discussie worden gesteld.

Democratie veronderstelt dan ook de grootst mogelijke vrijheid van meningsuiting en meningsvorming, vooral waar het de politieke partijen betreft. Zij zijn immers in het parlement - waar het maatschappelijk debat zich, staatsrechtelijk gezien, afspeelt - bij uitstek de kanalen via welke de volkssoevereiniteit wordt uitgeoefend. Daarom genieten zij een uitzonderlijke status: niet als voorbeeld, maar als vrijplaatsen waar de uiteenlopende overtuigingen van het volk stem krijgen.

Anders dan hen te onderwerpen aan een verzwaard regime van wettelijke toetsing, verdienen zij dus een tot in het uiterste opgerekte vrijheid om hun stem te laten horen. De vrijheid zichzelf zo te organiseren dat hun overtuiging, naar eigen inzicht, het zuiverst wordt uitgedragen, ligt in het verlengde daarvan. Wat men de SGP ook mag verwijten, inconsequent is haar uitsluiting van vrouwelijke leden niet, en terwille van de democratische zuiverheid zou de wetshandhaver zich van inmenging in haar interne discussie moeten onthouden.

Meet men de organisatie van een politieke partij zo streng aan de wet als in dit geval wordt bepleit, dan loert het gevaar van een vicieuze cirkel: de wet zelf zou verbieden dat zij nog ter discussie wordt gesteld. Een SGP die door vrouwen vertegenwoordigd zou worden, zou even weinig geloofwaardig zijn als een "Anti-doctorandussen Partij' (zij heeft bestaan) die hooggeleerden tot haar woordvoerders maakte. Wie vindt dat vrouwen het bestuursambt niet toekomt, heeft in een democratie recht op adequate representatie - hoe onzinnig en verwerpelijk de rest van Nederland dat uitgangspunt ook mag vinden.

Hier past de staat, zijn politie en zijn rechters dus uiterste terughoudendheid, zoals hij in volwassen westerse democratieën meestal ook betracht. Waarschijnlijk is deze politieke tolerantie jegens afwijkende standpunten de meest betrouwbare graadmeter van de democratische gezindheid. Zij wordt veelbetekender naarmate de afwijking de fundamenten van de staat dieper raakt. Dat partijen als de Sinn Féin en Herri Batasuna (de politieke tak van resp. de IRA en de ETA) in vrijheid kunnen opereren, siert het democratisch bestel van de betreffende landen bovenmate, zoals ook Nederland zich mag prijzen dat het de roep om een verbod op de Centrumpartij of (in de jaren vijftig) de CPN steeds heeft weerstaan.

Vooal de eerste voorbeelden tonen hoe ver de democratische tolerantie gehouden is te gaan, al is deze niet oneindig. Een partij die de burger het recht op geweld wil hergeven en als voorschot daarop interne discussies door middel van een shoot-out beslecht, krijgt terecht de politie aan de deur. De vrijheid van een politieke partij eindigt vooralsnog waar de vrijheid en het bestaansrecht van de individuele staatsburger begint. Zou de SGP de vrouwen van hun leden elke politieke activiteit (ook in andere partijen) verbieden, dan zou ook zij terecht door justitie worden bezocht. Zover gaat ze echter niet; ze wil hen alleen niet in eigen gelederen.

Maar misschien zou ze wèl zover willen gaan wanneer ze voor haar standpunt een parlementaire meerderheid zou kunnen krijgen. Om die reden is wel aangevoerd dat men elke politieke opvatting zou moeten toetsen aan de mogelijkheid dat zij ooit langs democratische weg zou worden aanvaard. Het is de vraag of zo'n toets veel zegt. Want op grond van welk hoger criterium zou men deze eventuele meerderheid kunnen kapittelen? Hoogstens op grond van een nu bestaande meerderheid, die weliswaar van haar eigen gelijk overtuigd zal zijn, maar geen enkele objectieve grond kan aanvoeren om zich tegenover een toekomstige meerderheid superieur te achten.

Een democratisch bestel zal nu eenmaal altijd vergeefs zoeken naar onwankelbare fundamenten. Al haar uitgangspunten, zelfs de rechten van de mens, berusten uiteindelijk op de macht van het getal. Haar principes kunnen door filosofieën en levensovertuigingen worden geschraagd en beargumenteerd, rechtskracht kijgen zij pas wanneer zij door een meerderheid zijn aanvaard. Om die reden zijn deze uitgangspunten altijd vatbaar voor herziening, zoals de vrouwenbeweging met haar roep om "vrouwenrechten' onlangs nog heeft geïllustreerd.

Democratie ontleent haar superioriteit nu eenmaal niet aan inhoudelijke beginselen die boven elke discussie verheven zouden zijn - daarop kan een geseculariseerde cultuur zich niet meer beroepen - maar aan het feit dat zij de macht maximaal heeft weten te spreiden. Daarmee is ze er in geslaagd het risico van bestuurlijk onheil zoveel mogelijk te reduceren: niet omdat de meerderheid per definitie gelijk heeft, dat heeft ze niet, maar omdat haar traagheid en massaliteit de beste rem vormt op politiek avonturisme. Haar veranderingen verlopen altijd stap-voor-stap en blijven daarom, aldus Karl Popper, vatbaar voor correcties in een relatief vroeg stadium.

Daarom laat een democratie zich niet gemakkelijk tot omwentelingen verleiden, en dat maakt haar, vooral in haar parlementaire vorm, onder revolutionairen weinig populair. De ervaring leert dat zij tot een dergelijke Mobilmachung slechts te bewegen is onder zeer penibele omstandigheden, waarvoor de Duitse verkiezingen van 1933 of het recente succes van het FIS in Algerije model kunnen staan. Het behoort tot de ironieën van de democratie dat zij machteloos staat wanneer een volk in meerderheid of, zoals in Duitsland, bijna-meerderheid besluit haar af te schaffen. Uiteindelijk kan zij na alle economische inspanning en beschavingsarbeid alleen maar hopen dat het niet zover komt, en over het algemeen genomen wordt die hoop dankzij zowel het verstand als de traagheid van het electoraat redelijk verhoord.

Wordt de situatie echter werkelijk bedreigend, dan heeft zij geen ander argument dan de prudentie, wat onder dergelijke omstandigheden meestal weinig indruk maakt. Haar enige wapen is eventueel de opschorting van de democratie terwille van de democratie - zie Algerije: een verdediging die even paradoxaal als zelfvernietigend is.

Het is veelzeggend dat een dergelijke democratische zelfopheffing veelal gepaard gaat met de herinvoering van absolute, niet zelden religieuze beginselen in de politieke orde. Wanneer de levensnood werkelijk begint te prangen, is het fragiele, statistisch-formele karakter van de democratie veelal niet bestand tegen de roep om een transcendente garantie van zekerheid. Daarvoor ruilt men de volkssoevereiniteit - de vrijheid van het volk om zelf zijn maatschappelijke en politieke grondslagen te bepalen - dan gaarne in. Juist de proclamatie van absolute waarden en beginselen, ontheven aan het maatschappelijk debat, is wezensvreemd aan een moderne democratie, die op het vlak van absolute beginselen een principieel agnosticisme huldigt.

Ook de SGP heeft de volkssoevereiniteit nooit aanvaard en in die zin staat zij al vanaf haar allereerste begin op gespannen voet met de Nederlandse grondwet; de huidige controverse is daarvan slechts een consequentie. De SGP beroept zich - althans in haar dominante stroming - op een transcendent, theocratisch beginsel, dat buiten elke politieke orde en elk politiek debat valt. Ten onrechte meende minister Ritzen de partij onlangs dan ook op een contradictie te betrappen. Elke redenering stuit voor de SGP nu eenmaal op het massieve gezag van het woord Gods, op wiens wegen de rede, zoals bekend, reddeloos teloor gaat.

Daarmee is de tegencultuur van de SGP politiek en staatsrechtelijk gezien waarschijnlijk minstens zo ondermijnend als menige underground die progressief Nederland de afgelopen decennia aan de borst klemde. Te laat heeft het nu ontdekt dat niet elke tegencultuur sympathiek is louter omwille van haar subversiviteit. De opmerkelijk intolerante roep om wet en verbod die daarop volgde, wortelt wellicht voor een deel in deze onthutsende ontdekking.

Het democratisch antwoord op het besluit van de SGP kan niet liggen in een wettelijke en gerechtelijke dwang die deze partij tot een haar wezensvreemde organisatie verplicht. Dat antwoord kan behalve door de theologische discussie in SGP-kring zelf alleen gegeven worden door het electoraat, en volgens recente opiniepeilingen laat dat aan duidelijkheid weinig te wensen over. Daarmee betonen de kiezers zich vooralsnog verstandiger dan hun bestuurlijke en politiële overheden. Dat is op zich al een kleine zege van de democratie.