Het petrarkisme

Zijn leven lang heeft de Italiaanse dichter Francesco Petrarca (1304-1374) onsterfelijke roem geambieerd. Aan zijn vriend Boccaccio schreef hij eens: “Niets weegt minder dan de pen, en niets verschaft meer genoegen. (...) Zij blijkt niet alleen van nut te zijn voor degene die haar hanteert, maar ook voor anderen, en dikwijls voor mensen die ver verwijderd zijn en soms zelfs pas duizend jaar later geboren zullen worden.”

Die duizend jaar zijn nog niet voorbij, maar als geen andere dichter is Petrarca erin geslaagd onsterfelijkheid te bereiken. Zij het op een heel andere manier dan hij zelf had gedacht.

Op 6 april 1327 ontmoette de toen 22-jarige Petrarca in het kerkje Sainte-Claire te Avignon een vrouw die niet alleen zijn leven zou veranderen, maar ook het karakter van de gehele Europese liefdeslyriek. In de honderden gedichten die hij aan haar zou wijden, noemde hij haar Laura. Het is nog steeds niet zeker wie zij was en lang heeft men gedacht dat zij slechts bestond in de verbeelding van Petrarca, maar tegenwoordig gaat men ervan uit zij Laura de Noves heette, de echtgenote van een zekere Hugo de Sade en moeder van elf kinderen.

Hoe het ook zij, Petrarca schreef zijn leven lang over zijn onbeantwoorde liefde voor Laura. Hierin kwam geen verandering toen Laura op 6 april 1348 stierf aan de pest, integendeel.

Petrarca heeft eindeloos veel gedaan dat hier buiten beschouwing moet blijven, maar zelf was hij ervan overtuigd dat hij de grootste roem zou oogsten met zijn in het Latijn geschreven Africa - een verslag op rijm van de tweede Punische oorlog. Over zijn in het Italiaans geschreven verzen deed hij neerbuigend. Hij noemde ze “onbenulligheden”, “dingen zonder betekenis die nergens goed voor waren”. Hij zou zelfs op het punt hebben gestaan ze in het vuur te werpen, maar het valt te betwijfelen of dit waar is, want het is bekend dat hij zijn hele leven liefdevol aan deze gedichten is blijven schaven.

Het waren de 366 Italiaanse gedichten, later onder de titel Canzoniere samengebracht, die Petrarca tot de beroemdste dichter van zijn tijd maakten. Het grootste deel bestaat uit sonnetten die Petrarca's liefde voor Laura beschrijven.

Iedereen is het over de kwaliteit van deze verzen eens. “Petrarca maakt zijn moedertaal tot het divine instrument”, schreef Catharina Ypes in 1934 in haar standaardwerk Petrarca in de Nederlandse letterkunde, “dat de meest subtiele nuances van menselijk gevoelsleven verklankt heeft. Zijn kunst is vooral ontroerend om het verlangen en de melancholie, die in de verzen zingen. De bekoring van zijn mooiste gedichten ontstaat, doordat de emotie volkomen samengeweven is met de zachte muziek van zijn taal.”

Maar toch zaten er een paar minder geslaagde verzen tussen, zoals sonnet 134, waarin Petrarca een serie tegenstellingen (antithesen in jargon) opstapelt. In de fraaie vertaling van Frans van Dooren luiden de eerste twee coupletten: “Ik heb geen vrede en ik kan niet strijden,/ ik hoop en vrees, ik gloei en ben van ijs,/ ik zweef naar boven en ik lig te lijden,/ ik heb de wereld lief, die ik misprijs!// Ik ben verlost en kan me niet bevrijden,/ ik heb houvast en raak toch van de wijs,/ ik voel me levend en gestorven beide:/ ach, liefde is zowel hel als paradijs!”

Nu wil de ironie dat de talloze navolgers van Petrarca vooral vielen voor de verzen die wij nu het slechtst vinden. Dat wil zeggen, gedichten waarin Petrarca zich bedient van retoriek of van vergelijkingen waaraan een natuurlijke spontaniteit ontbreekt. Zijn bewonderaars maakten er een punt van Petrarca hierin te overtreffen.

De invloed van dit zogeheten petrarkisme is enorm geweest. Literatuur-historici onderscheiden verschillende golven van petrarkisme, die op den duur heel Europa overspoelden.

Deze mode duurde tot halverwege de 17de eeuw, maar tot in de 19de eeuw zijn er sporen van aan te wijzen. In navolging van Frankrijk drong het petrarkisme ook in Nederland door, voornamelijk in het werk van Jan van Nooten, P.C. Hooft en Constantijn Huygens.

Hoe herkent men nu een petrarkistisch dichtwerk? In de eerste plaats spelen hitte, koude, vuur en ijs een grote rol in de beeldspraak. Net als Petrarca hebben de dichters een voorkeur voor vergelijkingen met het weer en de seizoenen. Daarnaast wordt de antieke mythologie en geschiedenis leeggeroofd, waarbij de petrarkisten probeerden de klassieke motieven nog spitsvondiger uit te werken. Dan zijn er nog de ingenieuze woordspelletjes, waar ook Petrarca raad mee wist. “Bekend is onder andere zijn spel met de naam Laura, die hij nu eens introduceert als "l'aura' (zacht briesje), dan weer als "lauro' (laurier, lauwertak) en soms ook als "l'auro”', aldus Frans van Dooren in zijn prachtige inleiding bij de zojuist herziene vertaling van Petrarca's Sonnetten en andere gedichten.

Een ander kenmerk is dat de petrarkisten in hun beschrijving van een geliefde kozen voor een vaste opbouw die werd gestoffeerd met een vast arsenaal beeldspraken. Ogen heetten “sterren, bij wier glans de zon beschaamd verdwijnt”, wenkbrauwen “fijne bogen van ebbenhout”, tanden en lippen “paarlen, door rozen of robijnen omsloten”.

Voor de reputatie van Petrarca was dit alles op den duur zeer schadelijk. In de eerste plaats begon men Petrarca met het petrarkisme te vereenzelvigen - een stijl die natuurlijk al snel felle tegenstanders kreeg. Daarnaast werd de beeldspraak die bij Petrarca nog sprankelend en origineel was, zo vaak gerecycled dat de oorspronkelijke glans verloren ging. Geen enkele dichter komt nu nog op de proppen met de pijlen van Amor of de boot des levens - bij Petrarca waren ze nog overtuigend, nu maak je hiermee zelfs bij "Candle Light' geen kans meer. Ziedaar de tol van onsterfelijke roem.