Een ruim bemeten geweten

Nadat het Schwerpunkt van de Buchmesse bijna in krenterigheid was gesmoord, kwam de schouderklop extra heerlijk aan. Het stond met vette letters op de voorpagina van het Cultureel Suplement: "De beste literatuur van heel Europa'. Opgetekend uit de mond van Siegfried Unseld, de baas van uitgeverij Suhrkamp. Nee, nationale trots is ons helemaal vreemd en daarom was het met welkome onschuld dat het Cultureel Suplement dit nieuws prominent bracht.

Unseld kwam overigens niet ver met de vraag waaraan het succes van Mulisch en Nooteboom nu precies te danken is. Dat is vast niet gemakkelijk te duiden, maar wellicht bieden twee recente publikaties een aanknopingspunt. De bundel van Nooteboom, De ontvoering van Europa, en de rede van Mulisch op de Buchmesse, Een spookgeschiedenis, geven althans aanleiding tot enige veronderstellingen over hun zeggingskracht in Duitsland.

Natuurlijk moet je een schrijver niet ophangen aan zijn toespraken; wat allereerst telt zijn de literaire voortbrengsels. Bovendien is Nooteboom slim genoeg om het genre belachelijk te maken: “tot mijn enkels zit ik in een poel van Europees verbalisme en vlucht naar de wandelgangen ...”. Maar omdat Mulisch en Nooteboom zich met graagte in de culturele diplomatie van Europa mengen en hun bijdragen in boekvorm bundelen, mogen we aannemen dat ze daarin toch iets wezenlijks van zichzelf en hun kijk op de wereld prijsgeven, waarvan ook de sporen in de rest van hun werk terug te vinden zijn.

Die indruk wordt versterkt doordat in beide gevallen verwijzingen naar de eigen biografie een voorname plaats krijgen toebedeeld. Mulisch ziet in zijn eigen afkomst een "troostrijk voorbeeld': “Ik ben geen mengsel, maar een nieuwe chemische verbinding. Ik woon in de Nederlandse taal, maar "etnisch' ben ik nog eerder een Oostenrijker dan een Nederlander. [...] Als ik dus kan bestaan, dan kan in beginsel ook een vreedzaam, tolerant, multi-etnisch Europa bestaan, als een nieuwe collectieve verbinding.”

In De ontvoering van Europa wordt door Nooteboom tot driemaal toe in vrijwel dezelfde bewoordingen een anekdote verteld over het bombardement op Rotterdam, dat hij als jongen uit de verte heeft gadegeslagen: “Ik vertelde hoe ik, op 10 mei 1940, zes jaar oud, met een donderende klap tot Europeaan geslagen werd door de intocht van de Duitse troepen”. Zo peuren beide uit hun biografie restjes van "etnische onzuiverheid' (Mulisch) en een ongeneselijke drang tot versnippering over vele landen (Nooteboom).

Waarom is deze houding zo ergerlijk? Wat Mulisch en Nooteboom hun publiek voorhouden zijn rimpelloze mengsels van eigen levensgeschiedenis, het tolerante land van herkomst en een onthecht levensgevoel. Er is geen sprake van wrijving, contrast of enige spanning met het gangbare zelfbeeld van Nederland. Het Europa, Europa! zit beide auteurs van jongs af aan in de genen. Ze komen uit een klein afzijdig land en zijn daarom niet bang om geëngageerde commentaren te geven. Mulisch spreekt het woord "wereldvrede' zonder zich te verslikken in zes verschillende talen uit en dat is knap.

“Wanneer in dit land een groep mensen "Deutschland! Deutschland!' brult, dan is dat angstaanjagend; en tegelijk is het ondenkbaar, dat een groep Duitsers 'Die Bundesrepublik! Die Bundesrepublik!' zou brullen. Daarom is de Bondsrepubliek in orde, maar Duitsland niet in die mate. Het denkbeeld, dat men in mijn land buiten het voetbalstadion "Holland! Holland!' zou brullen, is volstrekt belachelijk. Daarom is het zo slecht nog niet in Holland. Als iemand in Nederland zou zeggen, dat hij bereid is voor Nederland te sterven, zouden alle andere Nederlanders zich doodlachen”, aldus Mulisch op de Buchmesse.

Je kunt het niet vaak genoeg zeggen: in Nederland slaan we ons op de nationale borst, omdat we denken er geen te hebben. Wat betekenen zulke zinnen meer dan dat Nederland een lange periode van geslaagde neutraliteit heeft gekend, waarvoor een hoge morele prijs is betaald, en zich daarna nogal zorgeloos door de oosterburen heeft laten overmeesteren, om vervolgens weg te dromen onder Amerikaanse protectie, wat verenigbaar werd geacht met een treurige koloniale oorlog. Het wil niet veel meer zeggen dan dat we al heel lang geloven dat Nederland niet werkelijk bedreigd is en dat op de weinige momenten dat zulks wel het geval was, we het vermogen verloren hadden om de gevaren om ons heen te onderkennen. En dan onszelf wijs maken dat sneuvelen voor Bosnië een vanzelfsprekende burgerplicht is.

Het nationalisme wordt door Mulisch opgewekt behandeld als "een denkfout' en dat lijkt hem te ontslaan van nadere gedachten over het verschijnsel, ook al weet hij dat een dergelijk verwijt slechts weinigen zal overtuigen. Vervelender is dat de simpele tweedeling van kosmopolieten en nationalisten in Europa ook niet zo veel verheldert. Tussen deze twee polen ligt het gebied waar de "denkfouten' zijn gestold tot tradities en waar het onthechte levensgevoel nooit een kans heeft gehad omdat de losmaking van de geboortegrond met geweld gepaard ging. Kortom, daar spelen zich de kleine en grote drama's van de natievorming af.

Zijn rede eindigt in het soort uitroepteken waar Mulisch het patent op heeft sinds hij het woord bij de daad voegde: “Schrijvers, uitgevers, lezers aller landen, verenigt u!” Afkomstig uit een land waar elke burger al over een ruim bemeten geweten beschikt, zou Mulisch moeten weten dat het zeker een Nederlandse schrijver niet gegeven is om als het geweten van de natie te fungeren, laat staan om nog hoger te grijpen. Dat hebben moeilijker "vertaalbare' auteurs als W.F. Hermans en Gerard Reve beter begrepen. Door hen wordt de spot gedreven met de morele overvloed van het vaderland, terwijl Mulisch en Nooteboom er niet gauw genoeg van krijgen.

Waarom maakt deze houding bij de buren zoveel indruk? Men kan zich voorstellen dat de zorgeloze omgang met de eigen natie door Mulisch en Nooteboom als balsem werkt voor de vermoeide Duitse ziel. Wat verlangt het denkende deel van de Duitse natie ernaar om burger te zijn van zo'n klein, redelijk harmonieus, onbedreigd land, dat niet de last van het verleden hoeft te torsen en op de momenten dat ze het wel zou moeten (Indonesië) eenvoudig de andere kant opkijkt. Konden zij dat maar, met zo'n subliem zelfbedrog door het leven gaan, zo kritiekloos rondwandelen over de eigen geboortegrond en op de denkbeeldige grens van Zwitserland en Holland leven. Aan dat maar al te begrijpelijke verlangen om onder de molensteen van de eigen geschiedenis uit te kruipen beantwoorden Mulisch en Nooteboom trefzeker.

Het moet gezegd dat Nooteboom de onwaarachtige kanten van ons zelfbeeld soms wel ziet. Zo schrijft hij over de Nederlander: “Hij kan niet begrijpen dat het werelddeel waarin hij woont de receptuur van zijn nationale geschiedenis niet kan volgen ...”. Maar met dat contrast doet hij verder heel weinig.

We moeten niet zuurder doen dan nodig. Mulisch en Nooteboom hebben ook fraaie boeken geschreven, die vast het leeuwedeel van hun succes verklaren, en zelfs in hun recente proeven van culturele diplomatie staan belangwekkende zinnen. Maar de naïeve omgang met het land van herkomst mag Mulisch en Nooteboom worden aangerekend. Als laatstgenoemde zichzelf omschrijft als “één van die hybridische, overal onbegrepen wezens die op drie plaatsen en tegelijkertijd nergens thuishoren”, dan begrijpt men waarom het kosmopolitische levensgevoel in Nederlandse uitvoering al snel naar kitsch neigt.

    • Paul Scheffer