De minderheid; Achter de streep in het schoollokaal

In 't Kamp kun je maar beter niet komen, vertellen ouders hun kinderen. De kinderen denken dus dat het er spannend is. In de twee zuidelijke provincies woont meer dan de helft van alle Nederlandse zigeuners. Waarom? Dat weten ze zelf ook niet zo precies. Zijn Brabant en Limburg soms toleranter? Het is in ieder geval dicht bij de grens. “Dan ben je zò weg als er wat is.”

Het zal wel met Maria te maken hebben, denkt Lalla. De moeder van Jezus Christus. De ouderen op het kamp hebben haar vaak verteld van het mirakel. Een jaartal kan ze niet noemen, maar het was lang geleden. Ergens buiten de veste Roermond, zo'n vijfendertig kilometer hier vandaan, drenkte een herder zijn schapen bij een bron. Toen hij een emmer water putte, haalde hij tot zijn grote verbazing een Mariabeeldje naar boven. De herder - diep onder de indruk - zette het beeldje neer in een boom naast de put. Geen eerbiedige plaats voor een heiligenbeeld, vonden voorbijgangers en brachten het naar de kathedraal in Roermond. De volgende dag alweer was Maria verdwenen. Op onverklaarbare wijze was het beeldje teruggekeerd naar de bron. Een keer per jaar nu gaan de katholieke zigueners op bedevaart naar Roermond. Op de plaats van het wonder staat een kapel. “Om haar te eren”, zegt Lalla. “Maria. De moeder der moeders. De vrouw der vrouwen.”

De vraag was, waarom bijna driekwart van alle Nederlandse Sinti-zigeuners in de twee zuidelijke provincies woont, vooral in Noord-Brabant, en Lalla Weiss komt na lang nadenken met deze verklaring. Maar precies weet ze het natuurlijk niet. In Nederland wonen ongeveer drieduizend Sinti. Het kantoor van de Landelijke Sinti Vereniging is gevestigd in een keet op woonwagencentrum Best. In een kale werkkamer zit Lalla Weiss - zwarte rok, lange krullen, donkere ogen. Buiten is het rustig. Een paar mannen repareren een auto. Een meisje rijdt rond op een driewielertje. Honden liggen loom in de herfstzon. Lalla Weiss zucht diep. Waarom moet ze toch altijd maar weer uitleggen wat zigeuners zijn? Vanaf ongeveer 1840 wonen de Sinti in Nederland. Ze stammen waarschijnlijk af van de uit India afkomstige "Egyptenaren', die in het begin van de vijftiende eeuw in West-Europa verschenen. In de negentiende eeuw verdienden ze hun geld voornamelijk als varieté-artiesten. Ze waren toneelspeler, acrobaat, goochelaar, buikspreker of muzikant. De vrouwen gingen langs de deur met "galanteriën' - sieraden en kleine prullaria.

“Deze kant van het land was daarvoor beter”, weet C. Meinhart, messenslijper. Hij is op bezoek bij Lalla Weiss. Zelf woont hij op het kamp in Aerle-Rixtel. Meinharts moeder ging vroeger met pleisters, elastiek en schoonmaakmiddelen langs de deuren. In het Zuiden ging dat makkelijker dan in het Noorden van het land. “Brabanders zijn - hoe zal ik dat zeggen - wat vrijer, wat losser. Als een Fries nee zegt, blijft het nee.” Tegenwoordig is het verschil niet meer zo groot, denkt Meinhart, maar zijn ouders kwamen niet graag in Friesland. Als het gezin Meinhart met paard en wagen een dorp naderde, gingen de bruggen open en de luiken van de huizen dicht. “Nog geen emmertje water voor het paard kon eraf.”

“Weet je waarom we hier wonen?”, bedenkt Lalla opeens. Een nieuwe verklaring. “Het is dichtbij de grens. Dan ben je zo weg als er wat is. In het noorden, waar moet je naar toe? Alleen maar water. Je kunt geen kant op.” Haar vader heeft haar altijd ingeprent: Mond houden. Niet laten merken dat je zigeuner bent. Op school zat Lalla's zus achter een streep die door het lokaal was getrokken. Zigeunerkinderen achter de streep, burgerkinderen voor de streep. “Alleen als die meid tracteerde, mocht ze erover.”

Lalla's ogen staan op onweer. Haar zus heeft inmiddels haar haren kort geknipt en rood geverfd. “Alsof je dan minder Sinti bent.” Maar ach, waar paten ze eigenlijk over. Zo was het vroeger. Vroeger is voorbij, gisteren is voorbij. Vandaag zijn er andere problemen.

Achter Lalla's rug trekt een trailer langs het raam. Daarop de woonwagen van Lalla's vader. “Hij gaat in een chaletje wonen, ergens in Best tussen de burgerhuizen. Beleid van de overheid.” Ze kunnen kiezen, vertelt Lalla, of naar een nieuw kampje of naar een chaletje. In het kader van het landelijk woonwagenbeleid wordt het kamp opgedeeld. Om de zigeuners beter te laten integreren met de burgers worden ze in de woonwijken geplaatst. Lalla denkt dat er nog andere belangen meespelen. Er is een waterpretpark in de buurt gekomen. Aquabest. Daar passen geen slordige woonwagens bij. In een straal van dertig kilometer staan in de omgeving van Eindhoven zo'n dertien zigeunerkampen. Allemaal in de bosrijke omgeving van De Peel. Waarom nu juist daar? Ook welzijnswerkers en onderzoekers opperen verschillende verklaringen - de nabijheid van de grens, de tolerante inborst van de Brabander, het grote aanbod van seizoensarbeid, de vele kermissen en jaarmarkten in het Zuiden - , maar zonder er echt uit te komen. Zelf hebben de zigeuners er eigenlijk nooit over nagedacht. “Waarom zouden ze?”, zegt W. van der Coele, consulent van Werkplaats Woonwagenwerk Noord-Brabant. “Zigeuners denken niet in gisteren en morgen. Zigeuners leven vandaag.”

Een donker bospad. Alleen de maan verlicht het slingerweggetje dat naar het kamp van Gerwen voert. Dit woonwagencentrum doet denken aan een vakantiedorp. Twee rijen woonwagens, in het laantje daartussen staan auto's geparkeerd. Uit de woning van Fettela Schäffer - de man van de nicht van de moeder van Lalla - komt fel licht. Rondom de grote tafel hebben zich een paar mannen verzameld. Fettela's vrouw leunt tegen het aanrecht. Twee kinderen stoeien op een driezitsbank. De koffie staat op het fornuis. Overal zijden bloemen en foto's van de familie. Een paar meisjes steken nieuwsgierig hun hoofd om de deur.

Willy Weiss - de neef van de vader van Lalla - voert het woord. Waarom de Sinti vooral in Brabant wonen? “Omdat wij niet meer reizen”, zegt hij en slaat met zijn hand op tafel. “Zigeuners hebben geen land waar ze vandaan komen”, zegt Weiss. “Zigeuners trekken rond. Maar ze hebben ons onze cultuur afgenomen. Onze kinderen moesten naar school. We moesten onze plichten volgen. Daarom staan we nu hier.”

De mannen in de woonwagen van Fettela Schäfer vallen hem bij. Ze spreken in het Romanesj en maken grote gebaren. “Ze hebben ons onze vrijheid afgenomen”, gaat Weiss verder. “Ze hebben ons in een reservaat gestopt.” Hij wijst naar buiten, naar de verharde weg en de rij woonwagens aan de overkant. Sommige staan op een stalen chassis. Rondom enkele wagens is een muurtje of hekje gebouwd.

“Net als de indianen hebben ze ons opgesloten.” Weiss schudt met zijn hoofd. Hij wil niet dat wat hij zegt wordt opgeschreven. Onbegrip en vervolging, dàt is wat de zigeuners altijd ten deel is gevallen. Waarom zou dat nu anders zijn? Het bezoek kan maar beter gaan. Ook "de oudste' van het kamp houdt zijn mond. Hij is stilletjes binnengekomen. In zijn rose colbert en streepjes overhemd zit hij op de bank. Het komt toch altijd verkeerd in de krant, meent ook hij. Ze draaien de zaken om. Zo is het ook nog eens een keer. Zo lang de Sinti in Nederland wonen, worden zij in verband gebracht met criminaliteit. In zijn proefschrift En men noemde hen zigeuners schrijft Leo Lucassen dat Sinti berucht waren om de "wisseltruc': Sinti vrouwen vroegen in winkels naar munten van een bepaald jaar of type (“koningin Wilhelmina met loshangend haar”). Terwijl de vrouwen samen met de winkelier in de geldla zochten naar het zeldzame exemplaar, ontvreemden ze handen vol geld. Sinti waren volgens Lucassen ook zeer bedreven in het namaken van beroemde merken violen. Tot en met de fabrieksmatige produktie van Stradivarussen. Het "bari butsi' (het grote werk) van tegenwoordig bestaat volgens Nijmeegse onderzoekers uit paspoortvervalsing, oplichten van de verzekering, handel in goud, drugshandel en handel in videobanden.

Onder de uitgaande jeugd in Brabant heeft het predikaat "van 't kamp' een magische klank. "Die van "t kamp' - daarmee worden ook Nederlandse woonwagencentra bedoeld - doen precies waar ze zin in hebben. Ze blijven weg van school en rijden rond in grote auto's - niet gehinderd door de bemoeizucht van hun ouders. Als van iemand wordt gefluisterd dat hij "van 't kamp' is, is het oppassen. Als je met één ruzie hebt, heb je met allemaal ruzie, is de gedachte. Dochters drijven hun moeders tot wanhoop en worden verliefd op het "schooierskamptuig' waar je maar beter niets mee te maken kunt hebben. Het kamp is een vrijplaats, verwerpelijk maar spannend tegelijk. Net als de zonde.

“Daar heb je het weer”, zegt Weiss boos. Hij wil niet reageren op dit soort ideëen. “Allemaal vooroordelen. Als één zigeuner iets doet, hebben we het meteen allemaal gedaan.” Bovendien, het wordt hun moeilijk gemaakt op een eerlijke manier geld te verdienen. Vroeger ventten ze langs de deuren. Nu krijgen ze “ondersteuning” om daar weg te blijven. Meer dan 95% procent van de zigeuners in Nederland ontvangt een uitkering.

“U moest eens schrijven dat we een eigen kerkje hebben”, zegt Weiss dan. “Hoe geweldig het is dat we Christenen zijn.” De boosheid in zijn stem verdwijnt nauwelijks als hij vertelt hoe dertig jaar geleden het kamp in Gerwen zich bekeerde tot de Pinkstergemeente. De meeste zigeuners zijn katholiek, maar de Pinkstergemeente krijgt steeds meer aanhang onder de Sinti. In Gerwen werd het verlossende woord gebracht door ene Reinhart, vertelt Weiss, een broeder uit Frankrijk. “We zagen in dat we op de verkeerde weg waren”, zegt hij. “We waren zeer religeus, zeer katholiek. Maar we gingen inzien dat we een pop aanbaden. Maria is een pop. Als ze van de kast valt, valt ze stuk. Dan kun je haar bij elkaar vegen en weggooien.” Weiss gebruikt een denkbeeldige blik en handveger. Nu zitten ze op de goede weg, zegt hij. Ze drinken niet. Ze dansen niet. Allemaal opgegeven voor de Heilige Geest.

Achter op het kamp staat een noodgebouwtje. Tl-bakken verlichten het kerkje. “Alleen de gordijnen ontbreken nog”, had Schäfers vrouw gezegd. De samenkomst van de Pinkstergemeente is begonnen. Links zitten de vrouwen, rechts de mannen. Kinderen rennen in en uit. Vanachter het spreekgestoelte kijkt Weiss naar de toegestroomde Sinti. Hij gaat voor in het gebed. Als Weiss een lied aanheft, gaat iedereen staan. Gods weg is de beste, zingen ze. Twee mannen op gitaar begeleiden. Diezelfde avond staat in het Nieuwe de la Mar theater in Amsterdam het Rosenberg trio uit Gerwen. In het paarse licht van de schijnwerpers knakt Nonny Rosenberg - de neef van de vrouw van Schäfer - een voor een zijn vingers en plaatst zijn handen op de contrabas. Zijn jongere broer stemt zijn gitaar. De neef die solo-gitaar speelt wenst het publiek “een plezierige avond”. Dan vullen de eerste klanken de zaal. Ze spelen nummers van Django Reinhart en een liedje voor het kleine zusje.

“Voor de muziek kun je beter in het Noorden zijn”, zegt Nonny Rosenberg na afloop in de kleedkamer. “Hier zijn de geluidsstudio's en de platenbazen. Hier kennen de mensen ons.” Hij heeft zijn gebloemde blouse verwisseld voor een t-shirt. Noechae (“Hoe je dat precies schrijft weet ik niet”) en Stochelo Rosenberg brengen alvast de spullen naar de auto. In het Noorden van het land heeft het trio meer succes dan in Brabant, vertelt Nonny. Maar ja, daar in het zuiden woont nu eenmaal de familie. “Bij ons zit dat allemaal veel korter op elkaar hè”, zegt Nonny en slaat zijn handen in elkaar. Vijf avonden treden ze op in de hoofdstad. Vijf avonden rijden ze terug naar het kamp in Gerwen. “Anders raak je maar vervreemd van elkaar”, zegt Nonny. “Dat is niet de bedoeling hè.” Zijn hele leven heeft hij in Gerwen gewoond. “Je blijft waar je je eigen lekker voelt”, zegt hij. “Waar je familie is, daar woon je. Dat is heel simpel.”

    • Monique Snoeijen