De import; Nooit meer verhuizen

In de jaren zestig hadden Haagse overheidsinstellingen de grootste moeite hun kantoren vol te krijgen met geschikte arbeidskrachten. In Limburg steeg intussen de werkloosheid als gevolg van de mijnsluitingen. Het overplaatsen van zo'n vijfentwintighonderd "schrijftafels', zoals de arbeidsplaatsen voor ambtenaren heetten, moest voor beide problemen een oplossing bieden. Slechts zevenhonderd ambtenaren verhuisden mee naar Heerlen of Kerkrade en leerde de cultuurkloof overbruggen. Na hun pensionering willen de meesten niet meer terug naar het westen. Al zuchten ze soms: “Je woont wel in Nederland, maar je blijft toch een Hollander.”

In september 1968 werden alle 750 personeelsleden die op het hoofdkantoor van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds werkten bijeengeroepen. Dat het kantoor zou verhuizen stond al langer vast, maar de nieuwe plaats van vestiging was nog onbekend. Ferry van Kleef, toen dertig jaar oud, kan zich de reactie nog goed herinneren toen als een donderslag bij heldere hemel Heerlen uit de bus kwam: “Heerlen! Het diepe zuiden! Daar ging je voor je vakantie naar toe, maar nu moesten we daar gaan wonen! Er brak een panische angst uit. Nou ja, je hoefde niet mee, maar waar kon je anders terecht als specialist in pensioenzaken? Mijn vrouw en ik hebben toen toch maar gekozen voor het ruimere huis en het betere carrièreperspectief.” Er waren zo'n driehonderd collega's die er net zo over dachten. Zeshonderd man gingen liever op zoek naar een nieuwe baan.

Vijfentwintig jaar na dato verklaren Van Kleef en zijn vrouw Ineke in plechtig Haags: “Wij zijn Limburgers. Wij willen niet meer terug naar het verloederde westen.” Om hun verklaring kracht bij te zetten laten zij het nieuwe huis zien, dat zij zojuist hebben betrokken in Voerendaal. Hier en nergens anders gaan zij van hun ABP-pensioen genieten.

Zo positief hebben de Van Kleefs en met hen vele andere Haagse Limburgers, niet altijd over hun stap gedacht: “Toen ik de eerste keer bij de slager in de winkel stond vroeg ik me af: sta ik nu in Nederland of in Albanië? Je verstond die mensen helemaal niet en lang niet iedereen was de Nederlandse taal machtig,” zegt Ineke van Kleef. “Als je hun taal niet sprak, werd je automatisch buitengesloten. De kinderen werden op school voor sjtomme Hollenjers uitgescholden, maar ze konden zich gemakkelijk verweren. Een kennis van mij, ook een Haagse, moest in het begin een keer bij de bloemist vijf gulden betalen voor een bosje bloemen. Toevallig zag ze dat de Limburgse vrouw die na haar kwam voor hetzelfde bosje drie gulden vijftig neerlegde. Ze heeft daar toen een rel geschopt, maar dat werkte averechts. Dan was je weer die Hollander met die grote bek. Dat is gelukkig niet meer zo, alles is hier heel snel veranderd.” Ook Louis Kok, geboren Hagenaar, was aanwezig op die memorabele bijeenkomst in 1968, toen de keuze voor Heerlen bekend werd gemaakt. Hij was toen vijftig jaar oud en werkte al sinds 1947 bij de Pensioenraad, het latere ABP. “Wie dacht destijds nou dat een rijksinstelling kon weggaan uit Den Haag, nog wel naar de andere kant van het land, alleen omdat de regering bij de mijnsluiting was vergeten dat de mensen daar geen werk meer hadden?” zegt Kok. “We zijn opgeofferd om die regio nieuw werk te bezorgen. Als meelbalen zijn we verplaatst.” Voor Kok was er geen keus: als hij zijn baan niet wilde verliezen, moest hij meegaan. “Er werd helemaal geen rekening gehouden met wat dat voor ons betekende. We hadden kinderen van achttien, zestien en zes jaar. Er zou voor hen minder kans op een baan zijn en minder studiemogelijkheden. Allemaal raakten we onze kennissenkring kwijt, mijn vrouw heeft het ontzettend moeilijk gehad. We hebben hier nauwelijks vrienden gemaakt. Ik heb hier altijd het gevoel gehad: je woont wel in Nederland, maar je blijft toch een Hollander.”

Kok is na zijn pensionering in Heerlen blijven wonen. “Maar één woord van mij is genoeg om morgen naar Den Haag te verhuizen,” zegt zijn vrouw. Zij zelf voelt daar inmiddels niets meer voor, omdat twee van de drie kinderen in de buurt van Heerlen wonen. “Ik vraag mijn man steeds wat hij zo mist. Die sfeer... die sfeer van Den Haag, zegt hij dan.” Toen Kok nog goed ter been was, benutte hij iedere kans om met de caravan achter de auto naar zijn geboortestad te rijden. “Dan lieten we de caravan in s-Gravenzande op de camping en gingen we kennissen opzoeken. En fietsen, door de stad of naar Rotterdam. Dat kan hier niet, want we hebben hier geen vlakke stukken.”

In 1981 werd de groep migrerende ambtenaren van rijkswege op hun geestelijk welzijn onderzocht. De Rijkspsychologische Dienst kwam tot de conclusie dat de operatie geen grote sociaal-psychologische littekens had achtergelaten. Het overgrote deel voelde zich geaccepteerd door de streekbewoners, al had een kwart van de ondervraagden aanpassingsproblemen gekend. Als de man 's morgens naar kantoor was vertrokken, bleven de meeste vrouwen alleen achter in de doorzonwoning, die ze in de nieuwbouwwijk 'De Rukker' hadden mogen betrekken. “Ik heb het in het begin erg moeilijk gehad,” zegt mevrouw Van Kleef: “Wij wilden niet in De Rukker tussen al die ABP-ers gaan wonen en zo kwamen we in Voerendaal terecht. Toevallig hadden we Haagse buren, die me een beetje overeind hielden, maar op den duur kwam de huisarts er aan te pas. Die heeft me toen aangeraden een baan als bejaardenverzorgster te zoeken.”

Van toen af aan ging het een stuk beter met de Van Kleefs. Op een dag kwam hun zwager Aad Koster op bezoek, die bij een weegschalenfabriek in Den Haag werkte: “Die keek hier zijn ogen uit. Hij woonde dertien hoog in Zoetermeer en hij betaalde veel meer dan wij in Voerendaal kwijt waren voor een mooi huis met een mooie tuin en uitzicht op de heuvels. We zeiden tegen hem: joh, je moet solliciteren bij Defensie. Daar gaan ze binnenkort ook overplaatsen, maar niemand wil mee.” Aldus geschiedde: Koster ging bij Defensie werken en werd in 1983 uit vrije wil overgeplaatst naar Kerkrade, samen met de afdeling Dienstplichtzaken. Alles was uitgekomen zoals zijn zwager het voorspeld had en op de koop toe kreeg hij een spreidingstoelage van 14.000 gulden, terwijl zijn ABP-zwager maar 2400 gulden had gekregen. Tot overmaat van geluk verliep Kosters carrière voorspoedig. Maar wat hij niet had kunnen voorzien was dat de Berlijnse Muur zo snel zou vallen en dat kort daarna het einde van de dienstplicht werd aangekondigd. Koster heeft nu de absolute zekerheid dat er een eind komt aan zijn werk wanneer in 1998 de laatste dienstplichtige afzwaait. Dat is een somber vooruitzicht voor iemand die nu 41 jaar is en in een streek woont waar de werkloosheid aanzienlijk hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. Samen met zijn ex-stadsgenoot Ron Pauwels protesteert hij dan ook tegen het voornemen om de negentig werknemers van hun dienst weer over te plaatsen naar de Randstad: “Wij zijn Limburgers geworden,” zegt Pauwels. “Wij willen hier niet weg, nooit meer terug naar die steenmassa in de randstad. Laat ze maar een andere taak hier naar toe brengen.”

Het werken met Limburgse collegas bevalt Pauwels wel, al was er een korte aanpassingsperiode nodig: “We moesten ze eerst leren de telefoon niet in het Limburgs op te nemen. Het tempo van de Limburgers blijft ook wat rustiger, men is minder zakelijk dan in de Randstad. Als je daar van iemand iets vraagt, kun je ja of nee krijgen. Hier is het meer van: "Als jij dat doet voor mij, doe ik dit voor jou'. Daar komt het Limburgse ritselcircuit vandaan.”

Al hebben zich tot nu toe geen Hollands-Limburgse stammentwisten voorgedaan, toch smeult er een vuurtje tussen de ex-Hagenaars en de autochtonen. Wie moet er als eerste uit nu er bijna evenveel banen op de tocht staan als er destijds uit Den Haag zijn overgebracht? Bij het ABP alleen al dreigt de helft van de 3700 banen te verdwijnen. Ferry van Kleef heeft zich boos gemaakt toen zijn directeur als eerste maatregel voorstelde de Hagenaars terug te laten gaan: “Weet je dan niet wat wij hier hebben megemaakt, heb ik toen gezegd. En nu onze kinderen wortel hebben geschoten, wil je ons nóg een keer overplaatsen!” Zwager Aad Koster en zijn collega Ron Pauwels merken aan de sfeer op kantoor dat er iets in de lucht hangt: “Vroeger gingen we nog wel eens met ons allen naar de kroeg, maar dat is nu afgelopen. Als voorzitter van de dienstcommissies in Oostelijk Zuid-Limburg beklimt Koster regelmatig de barricades om de werkgelegenheid in Limburg te verdedigen: “Dat is wel een typisch trekje van de mensen hier. Ze vragen liever de Hollanders hun grote bek op te zetten dan dat ze voor zichzelf opkomen. Dat hebben ze overgehouden uit de tijd van de mijnen. Toen werd alles voor hen gedaan zonder dat ze zelf een poot hoefden uit te steken. Ze komen niet genoeg op voor hun baan, ze denken: laat eerst die anderen maar solliciteren, die passen zich makkelijker aan en dan hoef ik tenminste niet te verhuizen. Ze willen absoluut niet weg uit de provincie.”

    • Jacques Herraets