Claus hekelt de Vlamingen in Gents gelegenheidsstuk

Onder de torens door Nederlands Toneel Gent in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg tot 20/11 aanvang 19u30. Inl. 09-32.9.2253208

GENT, 18 OKT. Bijna honderd jaar na de opening van "eenen nieuwen Vlaamsche schouwburg', in 1899, aan het Sint Baafsplein in Gent werd het gebouw, inmiddels bekend als Koninklijke Nederlandse Schouwburg, afgelopen vrijdag na een vijfjarige restauratie feestelijk heropend met de opvoering van Onder de torens, een gelegenheidsstuk van Hugo Claus. Temidden van de torens van het belfort en de Sint-Baafskathedraal aan weerszijden van het plein zorgden son et lumière en een grootscheepse receptie na afloop voor een bijna middeleeuwse volksoploop.

Het charmante, in neo-renaissance stijl opgetrokken schouwburgje werd destijds neergezet omdat de burgemeester het zijn plicht achtte “onder den volksklas het schoonheidsgevoel, den smaak voor de letterkunde, de liefde voor de taal te ontwikkelen”. Hugo van den Berghe, artistiek directeur van het Nederlands Toneel Gent (NTG), noemde het zevenhonderd plaatsen tellende vaste huis van zijn gezelschap in zijn toespraak voor de voorstelling een "pareltje van intimiteit, een wonder van akoestiek'.

Dat is het, al is de Vlaamse tongval van de NTG-spelers soms moeilijk te volgen. Want Hugo Claus heeft zijn opdracht zo letterlijk mogelijk vervuld: hij heeft een door en door in Vlaanderen geworteld stuk geschreven over de beraadslagingen van een commissie die de schrijver moet aanwijzen van een gelegenheidsstuk voor de heropening van de schouwburg. Die opzet heeft niet alleen tot gevolg dat er soms plat Vlaams wordt gesproken, ook zijn er volop verwijzingen naar cultuur en volksaard. In de beste satirische traditie haalt Claus vier uur lang zijn landgenoten over de hekel.

In het vier bedrijven tellende stuk brengt de toneelschrijver een toneelschrijver, een intellectueel, een advocaat, een schepen van de haven, een secretaris-generaal, een kunsthistorica en een acteur-van-het-grote-gebaar rond de tafel. Die tafel zakt regelmatig hydraulisch naar beneden - waarmee meteen ook een staaltje van de nieuwe technische mogelijkheden van de schouwburg ten beste wordt gegeven. Op die momenten kijkt de commissie (en het publiek) naar scènes van de ingezonden stukken, te zamen een hilarische mengelmoes van stijlen, thema's en pastiches.

Zo kan het gebeuren dat de kunsthistorica over een door drie heksen, ene "Mac', ene "Bank', "Duf' en "Lady Mac' bevolkt toneelstukje oordeelt: “De stijl is regelrecht gestolen van Jan Decorte. En zonder Jans humor”. Waarop de toneelschrijver oppert: “En wordt het geen tijd dat wij de terreur van die Shakespeare vergeten. Altijd maar die geniale Shakespeare.” Waarop de intellectueel weer observeert: “Deze reductie van Shakespeare tot dit soort infantilisme is een catastrofische waarneming zonder enige cruciale controle van de fenomenen.” Waarop de kunsthistorica besluit: “Volgens mij is het Jan Decorte zelf die het ingezonden heeft. Het motto is: "Rien ne va plus' en de advocaat uitroept: “Weeral Frans!”

Wonderlijk effectief hink-stap-springt Claus (en het NTG met hem) van het ene heilige huisje op de andere nationale gevoeligheid, van brandende actualiteit naar nog altijd schrijnend verleden, van de waan van de dag naar granieten patriottisme. Hij sleept er Wagner bij, blauwhelmsoldaten, een eenzame vrouw met haar hondje: van klassiek via naturalistisch naar gestileerd-psychologisch en weer terug. En tussendoor schetst hij kwikzilverachtig en humoristisch een piepklein wereldje van corruptie, bevoordeling van vrienden en van conservatisme, het theater, de politiek, het volk en de hotemetoten in gelijke mate de mantel uitvegend.

Zijn stuk is een raamvertelling in het kwadraat omdat degenen op wie hij zijn pijlen richt de feestelijke heropening van de schouwburg uiteraard met hun aanwezigheid opluisterden. Maar het tekent de grootheid van Claus dat hij hekelt zonder fanatisme of bitterheid, als een Molière. Zijn spot is goedmoedig en zijn observaties, hoe scherp ook, zijn uiteindelijk niet anders dan blijken van warme betrokkenheid. Hij steekt zijn verdriet om België wederom niet onder stoelen of banken, maar zijn liefde ervoor evenmin. Hij laat zijn stuk in zang en dans eindigen en met de Godin van de Nacht die praat over "de mens, dat arme beest'. En die "het jonge kind, de oude kraai' omhelst: “heel stil, heel zacht/onder de torens”.

    • Pieter Kottman