Awali moet weg

“Rechtdoor, langs de tijgers, dan vind je hem wel. Hij is vandaag los”, had de portier gezegd. Een glazen hok achter de chimpansees. Tientallen mensen, vrouwen, kinderen, een oudere heer met een gleufhoed, die zich in de regen voor de ruiten verdringen. Daar, op een krukje in de kooi zit Gerry van der Kroon. Apenverzorger. Al vierentwintig jaar.

Over zijn benen kruipt een een harige baby. Twee grote ogen, een gerimpeld koppie en een dikke luier tussen zijn benen. “Net een kind, hè, Awali. Altijd aandacht willen”, spreekt hij Artis' jongste toe. Met zijn grote handen aait hij de jonge gorilla. Schoot op, schoot af. Onvermoeibaar schurkt het beestje tegen hem aan. Twee lange zwarte armen om zijn nek en het geluid van duizend zoentjes. “Hij heeft al acht tanden”, zegt Van der Kroon als een trotse moeder en pakt een potje babyvoeding. “Hé ouwe rakker, kom nu eindelijk fruithapje eten.”

De geboorte van Awali, op 24 april jongstleden heeft veel Amsterdammers heftig geroerd. Het eerste gorillajong van Artis was geen liefdesbaby maar het produkt van wilde verkrachting. “Nou ja, ze is gewoon gepakt die ouwe”, relativeert Van der Kroon. “Zo'n man wil ook wel eens wat.” Al na een paar dagen moest Awali worden weggehaald bij zijn veel te jonge moeder, omdat er geen melk in haar apenborst zat. Zo werd de gorilla met het lieve gezichtje het troetelkind van Amsterdam. Artis adverteerde met babyfoto's: "moeders mooiste', er werden kaarten en T-shirts en tassen van Awali gedrukt. Stapels brieven en tekeningen en cadeautjes werden verstuurd naar de babykamer in Artis. "Groetjes van Jeroen' en "hiep hiep hoera voor Awali' hangen boven zijn commode vol beren.

Nu raakt de stad zijn kindje kwijt. “Nog drie weken, ja”, zegt Van der Kroon en schraapt zijn keel. Op vier november gaat Awali naar de dierentuin van Stuttgart om samen met drie andere weesapen op te groeien. “Het is het beste voor hèm. Hé, uitslover. Je moet je eigen gevoelens aan de kant zetten. We zijn er voor hem en niet omgekeerd. Wat doe je nu gek? Als je hem nu al tussen andere apen zet, vermenselijkt hij minder. Je ziet het aan de andere flessekinderen die wij hier in de groep hebben. Ze zitten met hun gedachten toch meer bij mensen en dan integreren ze niet. Zit je lekker te winden, kleine duivel?”

Opnieuw kruipt Awali tegen hem aan en slaat zijn apenarmen om de man die al meer dan zes maanden voor hem leeft. 's Avonds na zijn werk stopt hij Awali in zijn auto. Trui aan, broek aan, hop in het kinderzitje. 's Nachts bij hem thuis heeft hij zijn eigen kamer. Drie weken voor de geboorte begon het waken bij moeder Delfina. Filmpjes vertonen waarop apen bevallen. “Als ze het nooit gezien hebben, weten ze niet hoe het moet. Die gorilla's kunnen er niks van.” Hij kocht boeken met namen in het Swahili - “Awali betekent de eerste. Dit is onze eerste”. En toen de geboorte. “Ze was zo lief voor hem. Echt apetrots. Toen het kind weg was hebben we Delfina gelijk in de groep gegooid. Die heeft haar uitstekend opgevangen moet ik zeggen.”

Gerry van der Kroon werkt sinds zijn vijftiende bij Artis. De afdeling mensapen is zijn rijk. Met ferme stappen loopt hij door de hokken. Grote, zwarte apenhanden gaan door de tralies om hem te begroeten. Van der Kroon vertelt over hun karakters, waar ze vandaan komen. “Sloerie”, zegt hij tegen een grote gorillamevrouw die nijdig met haar theebeker begint slaan. Verontwaardigd keert ze haar harige rug naar hem toe. “Mevrouw is boos omdat ik damesbezoek heb”, zegt Van der Kroon en geeft haar een por. Dan loopt hij door naar de kooi van de grote zilverrugaap, de groepsleider en vader van Awali. Opnieuw worden handen geschud. Vol respect over en weer. Verderop staat het publiek te lachen. Ze kloppen en krabben tegen het glas. Vindt hij dat nu niet vervelend? “Ach”, zegt Van der Kroon mild. “Het zijn maar mensen.”

    • Marjon van Royen