Wij willen ons gedroomde Europa terug voor het te laat is

Op het Spaanse eiland waar ik woon, heeft elk dorp in de zomer het feest van zijn patroonheilige. Jonge mannen en vrouwen, de dorpspriester en de markies rijden op zwarte paarden door de straten van de dorpen.

Zij dragen een tweekantige steek en witte broeken en zien er uit als mensen uit een ander tijdperk. Het moeten oeroude heidense rituelen zijn die de oorsprong van deze feesten vormen, ze betekenen het afscheid van de zomer, de aankondiging van een winter die op de eilanden vaak hard en lang was. De boot naar het vasteland ging maar éénmaal in de week en deed er op zijn minst 14 uur over, de meeste eilandbewoners waren nog nooit van het eiland geweest, en iets van dat isolement zit nog steeds in het karakter van de mensen en de wildheid van de feesten. De paarden stappen op het ritme van een opzwepende, altijd dezelfde muziek, de dorpsjeugd doet een uitdagende dans met de paarden die daarvoor op de achterbenen gaan, de ruiters moeten bij het weer neerkomen de menselijke dansers ontwijken. Drie dagen duurt het pandemonium, en dan wordt het feest besloten met een gigantisch vuurwerk. Uit alle andere dorpen komen de mensen, er gaat een orgie van schittering en lawaai de lucht in, genoeg om alle boze geesten weer voor een jaar te verdrijven. Dit jaar was iedereen het er over eens dat het vuurwerk minder was, en dat dat zowel door de crisis als het weer kwam, waarbij de crisis ook als een soort weer beschouwd wordt. Het bleef droog, maar er stond een wilde wind, en zo kon het gebeuren dat, juist op het moment dat het vuurwerk de gouden sterrenkring van Europa in de nachtlucht schreef er een windvlaag kwam die de 12 sterren uit elkaar rukte en over de hemel verspreidde waar ze, zoals dat met vuurwerk gaat, nog even nagloeiden en toen uitdoofden, deel werden van de duisternis van de nacht, een retorisch gebaar van het klimatologische toeval. Daar gaat Europa, hoorde ik iemand achter me zeggen, en het was alsof dat ene zinnetje en die laatste, nu als asregen verstrooide sterren iets dergelijks hadden willen zeggen, iets uit hadden willen drukken van de teleurstelling, de angst, de bitterheid, de machteloosheid, de onverschilligheid, de afkeer die bij het heilige woord Europa zijn gaan horen, of we dat nu willen of niet.

Waar is het gebleven, Europa? Waar is het naar toe? Wie heeft het meegenomen?

Laat mij u drie kleine fabels vertellen. Ze kloppen niet, dat doen fabels nooit, maar ze drukken beter uit wat ik wil zeggen dan politieke verhandelingen ex cathedra, want die zijn mijn stijl en mijn domein niet. In een grote, elegante, maar een beetje vervallen club zoals je die wel in Londen ziet, zaten de Europese munten bij elkaar. Elke dag wordt in een zijkamer van die club hun temperatuur gemeten en buiten opgehangen, voor beurzen, banken en speculanten. Het zal u niet verbazen dat het ondanks hun namen allemaal mannen waren. Ik weet niet of u zich ooit een fysieke voorstelling van de mark of de gulden gemaakt heeft, maar in vergelijking met de drachme en de escudo, om van de dinar, de lei en de zloty nog maar niet te spreken, zien die twee er welvarend, om niet te zeggen uitdagend gezond uit. “Het zijn toch eigenlijk een stel opscheppers”, zei het pond tegen de franse franc, die al de hele tijd probeerde de aandacht van de mark te trekken. De franc zei niets terug en stond op omdat hij de roebel op zich af zag komen. “Ik heb altijd gezegd dat het niets zou worden”, mompelde het pond, maar de gulden, die het gehoord had, zei “daar heb je anders zelf behoorlijk je best voor gedaan!” Ook de peseta was niet gelukkig. “Eerst zeiden ze dat we mee mochten doen”, zei hij tegen de lire, “en toen waren we ineens niet goed genoeg meer. Jaren doe je je best, je gelooft alles wat ze zeggen, en dan komen ze je ineens vertellen dat je niet genoeg gespaard hebt, dat je niet genoeg verdient en dat misschien, als je je goed gedraagt, je over een paar jaar terug mag komen.”

“Wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen”, zei de lire afwezig, terwijl hij probeerde zich de Albaanse lei van het lijf te houden en tegelijkertijd iets intelligents te verzinnen om tegen de Mark te zeggen. Op dat ogenblik vloog de deur open en een jonge man in joggingkleren rende naar binnen. “O mijn God, ook dat nog”, zuchtte het pond tegen de Zwitserse frank, “het idee dat je je met die nieuwkomer, die parvenu, zou moeten encanailleren!”

De ecu, want die was het, leek die opmerking niet gehoord te hebben, want hij sloeg het pond met een daverende knal op de schouder, riep “zo, oude jongen, hoe gaat het? Een beetje beter? Mrs. Thatcher ook goed?” en liep regelrecht door naar de mark en de gulden die daar een beetje op leken te wachten. “Kan ik jullie even apart spreken”, zei hij, “ik zag net de dollar en de yen bij MacDonalds en die zeiden . . .” De rest was voor het overige gezelschap niet hoorbaar, want op dat ogenblik had de forinth al zijn moed bij elkaar geraapt en was naar de ecu toegelopen. “Heeft u een ogenblikje voor me?”, vroeg hij. De ecu keek de Mark aan, keek toen op zijn horloge en zei, “sorry kerel, nu even niet, laat maar een boodschap achter bij mijn secretaresse”.

Ongeveer tezelfdertijd, maar dan in het Arsenal in Wenen, waar het Heeresmuseum gevestigd is, hadden de oude Europese veldslagen hun jaarlijkse bijeenkomst. Iedereen was er, van de Slag van Thermopylae tot en met Lepanto, Leidens Ontzet en de Slag aan de Somme, Stalingrad en het Ardennenoffensief. De stemming was genoeglijk. De heren - veldslagen zijn ook mannen - zaten gebogen over de kaart van het vroegere Joegoslavië en waren druk in de weer met vaantjes in verschillende kleuren. “Ik heb het je wel gezegd”, zei Monte Casino tegen Austerlitz, Europa blijft Europa, en als ze die lui daar nog een beetje hun gang laten gaan zal het nog heel lang Europa blijven.” “En wat het krankzinnige is”, zei Waterloo tegen Arnhem, “het is weer Sarajevo, dat had jij toch ook niet verwacht? Moet je die kaart zien die ze aan het bakken zijn, daar is Balfour met Palestina niets bij!” “Nee, daar moet je Engelsen voor hebben”, zei Trafalgar trots. “Vlak de Duitsers ook niet uit”, zei Verdun, “als die Kroatië niet zo snel erkend hadden was het nooit zo'n puinbak geworden!” “Ze dachten dat ze er al waren”, zei Troje tegen Hastings, “altijd dezelfde fout: geen rekening houden met het menselijke element.” “Precies”, zeiden Poitiers en Saguntum, “waar het aan ontbreekt is historisch besef, wie zonder herinnering wil leven zal altijd weer bij ons uitkomen. Wie wil er nog een portje?”

Zo ongeveer vijftig jaar geleden woonde er in Frankrijk een jonge componist. Op een nacht droomde hij dat hem gevraagd was het volkslied van het nieuwe Europa te schrijven. Het geluk dat hij voelde bestaat alleen in dromen, zoals men ook alleen maar in dromen vliegen kan. En vliegen deed hij, hij zweefde over de witte sneeuwvlaktes van Finland, de hoge toppen van de Tatra, langs de fjorden van Noorwegen en over het vlakke land van Holland, hij zag het lieflijke Umbrië en de lagune van Venetië, hij zweefde over het Forum Romanum, de Akropolis, langs de rode muren van het Kremlin, hij volgde de oevers van de Taag door Spanje en Portugal, en al die tijd hoorde hij de melodie van zijn lied dat hij zong zonder woorden, en met de helderheid van dromen wist hij dat in zijn lied alle tegenstellingen zouden worden verzoend, en dat tegelijkertijd niets van de grootheid maar ook niets van de bitterheid van het verleden in de melodie verloren zouden gaan, het zou de uitvindingen bevatten en de veldslagen, de woorden van Sokrates en de gedichten van Ovidius, het handschrift van Rousseau en het lied van Mahler, de schilder van de Nachtwacht en de organist van Leipzig, de bibliotheek van Erasmus en de herinnering van Goethe, de abdijen en de kathedralen zouden er in voorkomen en de hamerslagen van Wittenberg, de synagoge van Amsterdam en de pelgrimstocht naar Santiago, het vuur van de ketterverbranding en het geschreeuw van de dictator, het gefluister van Romeo en het gesprek met Sancho Panza, de psalmen uit Cluny en de guitaar uit Sevilla, de hel en de hemel van een verleden dat oneindig zou lijken met als grondtoon het geruis van de miljoenen gesprekken die ooit in zijn werelddeel gevoerd waren, de zingzang van de talen van de vier windstreken, de verstrooide, voor altijd vergeten en voor altijd onthouden woorden, het klagen van de kampen, het gejubel van de bevrijding, de zweepslag van het oordeel, het gezang van de eenzame zwerver op de landweg - en terwijl hij al die geluiden afzonderlijk hoorde zong hij in zijn droom het lied dat ze allemaal samen zouden vormen, hij schreef de noten voor de instrumenten en het zouden er éénendertig zijn, voor elk land van zijn werelddeel één, want voor het twaalftoonsstelsel in de politiek voelde hij niets. De dag kwam dat zijn lied voor het eerst gespeeld zou worden. De zaal in zijn droom leek misschien op deze zaal, het orkest misschien op dit orkest. Langzaam, en in grote stilte liep hij op zijn lessenaar toe, keek de orkestleden aan, hief zijn dirigeerstok op. Toen gaf hij het teken voor de eerste maat en om wat er toen gebeurde moet hij in zijn droom een vreselijke schreeuw gegeven hebben, want wat er klonk was een ellendige kakofonie die na een paar maten in verbijsterde stilte eindigde ... en met de onverbiddelijke logica van dromen wist hij wat er gebeurd was: elk van de muzikanten had niet het nieuwe lied, maar de eerste maten van het eigen volkslied gespeeld, het Deutschland über Alles door de Marseillaise, het God save the Queen door de Brabançonne, en dat vermenigvuldigd met 31. Ik zei het al, fabels zijn simpel, zij drukken niet een waarheid uit, maar een gevoel. Waar is het Europa waar we al die jaren van gedroomd hebben? Waar is het naar toe? Wie heeft het meegenomen? Hebben de Serviërs het meegenomen? Hebben de speculanten het meegenomen? Hebben de Deense neezeggers het meegenomen? Hebben de Franse boeren het meegenomen? De Poolse staalarbeiders? De Spaanse vissers? De machteloze politici met hun lege woorden? De doden van Serajevo? De minderheden? De nieuwe fascisten? De Oostduitse werkelozen? De Bundesbank? De Engelse Eurosceptici? Waar is het? Is het in Brussel of is het in Londen? Is het in Athene of is het in Kosovo? Als het nog ergens is willen wij het graag terughebben, niet het Europa van de markt en van de muren, maar het Europa van de landen van Europa, alle Europese landen. Ooit heeft een Duitse geleerde, Helmuth Plessner, een boek geschreven dat heette Die Verspätete Nation. Dat was in de jaren 30, en niemand heeft naar hem geluisterd. Men zou ons Europa moeten teruggeven voor het voorgoed te laat is.

    • Cees Nooteboom