Turken compromisloos jegens Koerden; Toestand in Koerdisch zuidoosten verslechtert snel

ANKARA, 16 OKT. De situatie in het nu al ruim negen jaar door Koerdische terreur geteisterde zuidoosten van Turkije is in de afgelopen weken in snel tempo verder verslechterd. Niet alleen eisen de gevechten tussen het Turkse leger en de guerrillastrijders van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) dagelijks tientallen levens - Turkse militairen bestoken eveneens opnieuw de PKK-kampen net over de grens in Noord-Irak - maar ook raakt het openbare leven verlamd door de strijd om een onafhankelijk dan wel federaal Koerdisch Zuidoost-Turkije.

Turkije heeft momenteel ongeveer 180.000 man veiligheidstroepen en een omvangrijk aantal zware wapens en tanks in de regio, evenals enkele tientallen helikopters en gevechtsvliegtuigen. Het officiële dodenaantal bedraagt sinds 1984 ruim 7.500.

Onderwijzend personeel in de provincie Tunceli weigert na de moord door guerrillastrijders van de PKK op enkele collega's om nog langer les te geven als hun veiligheid niet door de staat wordt gegarandeerd. In de grootste Koerdische stad, Diyarbakir, stijgt de spanning als gevolg van het toenemend aantal moordaanslagen op krantendistributeurs en krantenverkopers. Mensenrechtenorganisaties zeggen dat het leger zeker al 750 Koerdische dorpen in Zuidoost-Turkije op brute wijze heeft ontvolkt, waarvan de operaties deze week in de dorpen Yurelik en Yamak in de provincie Mus de meeste recente voorbeelden zijn. In Batman, waar plaatselijke Hezbollah-activisten honderden aanslagen op pro-Koerdische politici hebben gepleegd, stopt de oliegigant Mobil onder druk van de toenemende onveiligheid na 28 jaar met het winnen van olie, wat de werkloosheid in het onderontwikkelde zuidoosten verder aanwakkert.

Politici in Ankara vragen zich af of het wel mogelijk is om in een dergelijke sfeer van geweld in maart in het gebied gemeenteraadsverkiezingen te houden. Binnen de regerende Partij van het Juiste Pad van premier Tansu Çiller gaan al stemmen op om de staat van beleg opnieuw af te kondigen in dit deel van het land, wat de positie van het leger nog verder zou versterken. Lokale politici claimen dat hierdoor nog meer olie op het vuur in Zuidoost-Turkije wordt geworpen waar de bevolking immers al door de uitzonderingstoestand van de meeste democratische rechten is beroofd en dat de Koerden in ieder geval in de gelegenheid moeten worden gesteld om hun eigen vertegenwoordigers te kiezen.

Premier Çiller toonde zich vorige week na een gesprek met haar Spaanse ambtgenoot Felipe Gonzales gecharmeerd van wat in de Turkse pers immiddels al kortweg "het Baskische model' wordt genoemd - de manier waarop Spanje met de ETA heeft afgerekend - om het Koerdische separatisme tot een halt te brengen. Voor Turkije zou dat inhouden dat het een drievoudige campagne moet ontwikkelen: met Syrië, Irak, Iran en Armenië moet een waterdichte afspraak worden gemaakt (zoals Spanje heeft gedaan met Frankrijk) dat de PKK niet langer vanaf hun grondgebied kan operen, er moet een consensus worden gesmeed tussen alle politieke partijen in het parlement voor een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van de bestrijding van terrorisme, terwijl de lokale overheden een grotere autoriteit moeten krijgen.

Om dit zogenaamde "Baskische model' in de praktijk te brengen moet Turkije dus niet alleen de vrijwel onmogelijke taak vervullen om de met de mond beleden samenwerking wat betreft de bestrijding van terreur met de rivaliserende buurlanden daadwerkelijk gestalte te geven, maar zal het tegelijkertijd ook de Koerden in eigen land meer rechten en vrijheden moeten toekennen. Alle verboden met betrekking tot het uitdragen van de Koerdische cultuur moeten op de helling: de Koerden moeten in de gelegenheid worden gesteld om hun eigen taal te leren, radio- en televisieprogramma's moeten ook in het Koerdisch worden uitgezonden, terwijl het Koerdisch als een aparte cultuur moet worden erkend.

Premier Çiller lijkt met haar eerdere poging om een nationale consensus in het parlement te bewerkstellingen om de Koerdische terreur te bestrijden, haar voorstel voor een versterking van de autoriteit van de regionale overheden - wiens beleid kan verschillen naar gelang de regionale problemen - en de manier waarop ze zich vorige week in de pers uitliet over "het Baskische model' te willen aangeven dat ook zij "de militaire optie' te beperkt vindt. Maar al haar pogingen om het beleid ten aanzien van Zuidoost-Turkije te verbreden, ketsen af. President Süleyman Demirel verwoorde met zijn reactie deze week dat er “geen andere optie mogelijk is dan de militaire” de mening van het merendeel van de parlementariërs van de door Çiller aangevoerde PJP dat er nog steeds maar één manier is om het Koerdische separatisme te ontmantelen: “de veiligheidstroepen moeten de wapens uit de handen van de mannen in de bergen veroveren”. Het leger is even compromisloos, maar ook het merendeel van het Turkse volk voelt er momenteel niets voor om de Koerden grotere vrijheden toe te kennen.

Datzelfde overkwam de voormalige president Turgut Özal, die de Koerdenkwestie weliswaar bespreekbaar maakte in Turkije, maar die sterke kritiek kreeg te verduren toen hij zich een voorstander toonde van het opheffen van het verbod op het uitdragen van de Koerdische identiteit en het versoepelen van de rechten voor de Koerden. Premier Çiller lijkt de gevangene van diezelfde situatie, terwijl ondertussen de strijd in Zuidoost-Turkije verder verhardt en het aantal doden in de PKK-gelederen wordt gecompenseerd door een toeloop van nieuwe guerrillastrijders als reactie op de compromisloze houding van de Turkse politiek.