Tijden in volkswijk veranderen te snel

UTRECHT, 16 OKT. Een kleine straat in een grote stad. Lage, bakstenen huizen met wat bomen ervoor. Voor de ramen hangen vitrages. In de vensterbanken staan planten en porseleinen hondjes. Op straat spelen kinderen. Als ze naar binnen willen, trekken ze de deur met een touwtje door de brievenbus open. Een tel later staan ze weer buiten om te fietsen en te voetballen. Ze zijn Turks, Marokkaans, Surinaams, zelden Nederlands. Dit is wat "kleurrijk Nederland' wordt genoemd.

“Zulke kleine kinderen zeggen: over vijf jaar heb jij hier niks meer te vertellen, dan zijn wij in de meerderheid.” Meneer en mevrouw Boele, twee oudere werklozen, zijn bang dat de brutale Turkse jongetjes gelijk krijgen. Ze zijn bang dat 't Ondiep, die gezellige volksstraat in Utrecht waar ze al 28 jaar wonen met hun beo, hun papegaai en hun hond, straks hun straat niet meer is. “Wij krijgen allemaal maar twee kinderen en zij hebben d'r vijf of zes.” Achter in 't Ondiep, tien keurige huizenblokken in Utrecht-West, rommelt het. Daar zijn de bewoners het zat. Die er zijn, mogen blijven, maar er kan echt niet één buitenlander meer bij. En of de gemeente er maar voor wil zorgen dat de eerstvolgende leegstaande woning aan een Nederlands gezin wordt toegewezen.

't Ondiep is slechts een van de plekken waar deze weken het sentiment "Nederland is vol' is uitgebarsten. In Tilburg wisten buurtbewoners een Antilliaans gezin te weren, in Drachten dreigden bewoners een kort geding aan te spannen als een woning in de Tjalling Wagenaarstraat wordt verhuurd aan asielzoekers. En de Rotterdamse Tarwewijk werd beklad met leuzen tegen migranten. Premier Lubbers toonde zich gisteravond in het televisieprogramma Nova bezorgd over deze ontwikkelingen. “We moeten gaan spreiden in de steden”, was zijn voorstel. “Concentraties geven de meeste spanning.”

In het achterste stukje van 't Ondiep laat de concentratie zich duidelijk zien. Van de Amsterdamse Straatweg tot de Laan van Chartroise woont een enkel allochtoon gezin, van daar af tot het eind is de verhouding fifty-fifty. Die verandering van blank naar kleurrijk heeft zich de laatste jaren snel voltrokken. Vooral dat is wennen voor de "echte Utrechters'. Gisteravond kwamen ze, voor de tweede keer deze week, in een buurthuis om de hoek bij 't Ondiep. Wethouder J. Zwart (volkshuisvesting) was er, een ambtenaar van de dienst woonruimtezaken, vertegenwoordigers van het wijkbureau en het opbouwwerk.

Aan twee lange tafels zitten vrouwen van middelbare leeftijd, met permanent, de filtersigaretten onder handbereik. Mevrouw A. Klunder - geblondeerd haar, een gouden vlinder op haar borst - houdt haar buren in bedwang. Als de wethouder spreekt en een buurman kwekt er doorheen, is het: “Effe stil.”

Achter haar aan de muur hangt de agenda voor deze avond. Punt 1 is de woningtoewijzing, want daar is het protest om begonnen: Hoe komt het dat in de buurt alleen nog maar migranten in aanmerking komen voor de bovenwoningen die leeg komen te staan. “Het zijn gehorige woningen en daar wonen ze met z'n tienen in en die kinderen spelen maar op straat tot elf, twaalf uur.”

Pag.3: "Er wonen alleen maar buitenlanders'

Wethouder Zwart legt uit: in Utrecht publiceert de gemeente in een krantje welke huizen er leeg staan en daarop kunnen geïnteresseerden "solliciteren'. Er wordt gekeken naar gezinsgrootte en inkomen en dan geeft de wachttijd de doorslag. De bovenverdiepingen van Ondiep stonden tot deze week aangeboden als zes-kamerwoningen van de goedkoopste soort en daarvoor komen dus grote gezinnen met een laag inkomen in aanmerking: “In de praktijk zijn dat vaak buitenlanders.”

“Om het evenwicht in de straat te herstellen”, vertelt Zwart, heeft de gemeente besloten de woningen nu als vier-kamerwoningen aan te bieden, zodat de kans voor kleinere, Nederlandse gezinnen op zo'n woning wordt vergroot. Meneer Hendriks uit Ondiep blijft volhouden dat Nederlanders niet aan de bak komen bij de woningtoewijzing. Hij spreekt uit eigen ervaring, blijkt. Hij toont een antwoord van de gemeente op zijn verzoek in aanmerking te komen voor een nieuwe woning. Negatief. “Zie je wel”, zegt Hendriks. In de brief legt de Dienst woonruimtezaken uit dat hij te veel verdient voor deze woning. “Buitenlanders gaan voor”, is zijn conclusie.

Het voorhoofd van wethouder Zwart begint te glimmen. De agenda hangt overbodig aan de muur, hier kolkt de onvrede van een hele straat naar buiten en die laat zich niet indammen door agendapunten. Voor de voorzitter het in de gaten heeft gaat het over spugende zigeuners en kinderen die tot veel te laat mogen opblijven. Mevrouw Klunder deelt niet langer strenge terechtwijzingen uit aan interrumperende buurtbewoners, ze is zelf de luidruchtigste spreker geworden. Het gaat over Turkse winkeliers die hun waren zomaar op de stoep uitstallen, terwijl Nederlandse winkels daarvoor extra worden belast. Over de klanten van de sociale dienst die in te grote auto's rijden. Over onbeschofte buren. Alle wrijvingen en irritaties hebben zich in Ondiep geuit in die ene klacht, over de woningtoewijzing, maar het gaat over alles wat is veranderd in een volksbuurt.

Een jonge vrouw heeft 't Ondiep al verlaten om de buitenlanders. Ze is er geboren, haar ouders wonen er nog, maar zelfs haar dochtertje wil eigenlijk niet meer naar opa en oma. “Met wie moet ze spelen? Er wonen alleen maar buitenlanders.” Toen ze hier nog woonde, zag ze hoe het zoontje van haar Turkse buurvrouw gevaarlijk uit het raam hing. Zij aanbellen: mevrouw, uw zoontje hangt uit het raam. “Ze zegt: "Bemoei je er niet mee'.” Zo heb je toch niks aan je buren, vindt ze. “Waarom passen ze zich niet aan ons aan?”

De integratie van minderheden met behoud van eigen identiteit was voor de politiek lange tijd vanzelfsprekend en slechts een kwestie van tijd. In de verkiezingsprogramma's van 1989 viel weinig te lezen over minderheden, illegalen en asielzoekers. Maar in de programma's voor de verkiezingen van volgend jaar staan inmiddels hele paragrafen. Tóch hebben de meeste partijen moeite om met dit thema om te gaan. Ze zijn bang racisme aan te wakkeren en praten over het vraagstuk van vreemdelingen en minderheden in abstracte termen. Voor de Kamerleden zijn minderheden ver weg, en een onderwerp waar ze hun vingers aan kunnen branden.

Maar op micro-niveau ervaren de burgers, die dagelijks met nadelige kanten van de toestroom van asielzoekers en het integratieproces te maken hebben, “de vertegenwoordigers van de wereldwanorde” als een concreet probleem, op de stoep in de eigen wijk. Bij de toewijzing van huizen, het vinden van een baan, de "gemengde klassen' op school, duiken vreemdelingen voor hen op als probleem. Terwijl de meeste partijen zich blijven verschuilen achter mooie volzinnen in hun programma's, is in de volkswijken op luide toon woede, frustraties en ergernis te horen. De "Haagse stilte' dreigt echter de kloof tussen kiezers en politiek te vergroten omdat veel burgers de indruk krijgen dat het parlement geen oor heeft voor zulke kwesties.

De kloof tussen overheid en burgers ligt ook in een doorsneestad als Tilburg. Donderdagavond uitten bewoners van de Veestraat hun grieven ten overstaan van burgemeester Brokx en drie wethouders. Ze hadden dan wel een Antilliaans gezin weten te weren, maar de burgemeester had hen daarna de oren gewassen. Dit mocht nooit meer gebeuren. Dóe dan iets, riepen de bewoners tegen de stadsbestuurders. Die hadden geen pasklaar antwoord; over twee weken, beloofden ze, praten ze verder met de bewoners.

“Over twee weken! Brokx had moeten zeggen: zo, nu weet ik het allemaal en we gaan maandagochtend met elkaar om de tafel zitten. We maken een plan, we gaan aan de slag. Met de stadsreiniging, met de plantsoenendienst - we gaan de straat op, de wijk in”, zegt J. Beerenhout, oud-lid van de commissie-sociale vernieuwing. “De bewoners van de Veestraat zeggen niet: de buitenlanders eruit, maar: we willen er niet méér in de straat. En als je goed luistert gaat de woede over de vervuilde straat en richt hun woede zich tegen de gemeente die niet luistert, die er geen aandacht voor heeft.”

Zo hebben alle protesterende bewoners één ding gemeen, of ze nu in Drachten, Tilburg of Utrecht wonen: ze vinden zichzelf geen racisten. Met de buitenlanders in hun buurt kunnen ze het goed vinden, alleen er mogen niet te veel komen. En als ze het zelf niet zeggen, neemt de plaatselijke opbouwwerker hen wel in bescherming. M. Raasveld neemt het op voor de Ondiepers in Utrecht, de Rotterdamse hakenkruizen-schilders kunnen schuilen achter H. Poldervaart. “De bewoners maken hun ongenoegen kenbaar over de kwaliteit van het wonen”, zo beoordeelt hij de schilderactie. “In de Tarwewijk is veel gedaan in het kader van de stadsvernieuwing. Er zijn goede huizen, pleintjes waarop de kinderen kunnen spelen, er is groen en er zijn buurthuizen. Jongeren met allerlei kleuren basketballen met elkaar. Ik zeg niet dat er geen verschillen zijn of dat er nooit ruzie is tussen mensen met een verschillende afkomst.” De leuzen ziet hij meer als soort een verkiezingsslogan.

In Drachten doet de advocaat een goed woordje voor de bewoners die zich weren tegen de komst van nieuwe asielzoekers in de straat. Mr. P. Schram: “Het gaat niet om asielzoekers, maar om het feit dat de woning niet permanent bewoond wordt.” Een "doorgangswoning' leidt er volgens hem toe dat er “binnen de kortste keren een onvoorstelbare zwijnerij” ontstaat, omdat bewoners die na korte tijd vertrekken “geen binding met het huis hebben en niets aan het onderhoud doen”.

Leefbaarheid is het sleutelwoord. En als dat eenmaal is uitgesproken door wethouder Zwart in het buurthuis achter 't Ondiep, hebben de bewoners het idee dat ze niet helemaal voor niets zijn gekomen. De buurt moet weer leefbaar worden en of dat nou met buitenlanders, zonder buitenlanders of met aangepaste buitenlanders is, doet er niet toe.

Als mevrouw Klunder om negen uur weer naar huis wandelt, miezert het. Een grijze vrouw in grijze jas laat haar grijze hondje uit. Verder is het helemaal stil in Ondiep. Er loopt geen kind op straat.

(Met bijdragen van Bas Blokker, Derk-Jan Eppink, Frank van den Heuvel, Karin de Mik, Rob Schoof en Anneke Visser)