Sarajevo wordt op het gas aangesloten

SARAJEVO, 16 OKT. Terwijl de oorlog in Bosnië voortwoedt en vrede verder weg lijkt dan ooit, wordt de belegerde stad Sarajevo op het gas aangesloten. Overal in de stad ziet men de gleuven en putten waarin nieuwe gasbuizen zijn of worden gelegd, in het kader van een mede met Nederlandse steun tot stand gekomen project. Het moet voorkomen dat de helft van de naar schatting 350.000 inwoners, zoals een medewerker het uitdrukt, “door de winterkou de lente niet meer ziet”. Het wordt nu snel frisser in de stad, dus de werkdruk is hoog. De gasdruk is echter nul - naar alle waarschijnlijkheid omdat het door een internationaal energie-embargo getroffen Servië het gas aftapt uit de over zijn territorium lopende aanvoerpijpen.

Kou is een van de voornaamste zorgen van diegenen in Sarajevo, buitenlanders of plaatselijke hulpverleners, die proberen het welzijn van de bevolking onder oorlogsomstandigheden veilig te stellen. Het UNHCR (de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties) en de particuliere IRC (International Rescue Committee) proberen koortsachtig in de omgeving van de stad hout en kolen aan te kopen voor transport naar de stad - voorlopig nog met bescheiden succes. De belegerende Serviërs willen wel hout verkopen, maar komen vervolgens met steeds nieuwe eisen van de percentages die aan hen moeten worden afgedragen.

Op de zwarte markt kost hout zo'n 300 à 450 Duitse mark (330 tot 500 gulden) en is daarmee slechts voor zeer weinigen weggelegd. Elektriciteit blijft, met enkele uren per dag, een schaars goed en voor het grootscheeps gebruik van elektrische kacheltjes is derhalve geen plaats. Olie en diesel zijn eveneens nauwelijks bereikbaar voor de gemiddelde particulier; die kosten tenminste 25 mark per liter. Wat de bomen in Sarajevo betreft, die zijn in alle straten en parken al in de vorige winter gekapt, behalve waar militairen ze hebben beschermd omdat ze ze als vuurdekking nodig hadden.

Vandaar de gedachte om ernst te maken met de uitbreiding van het aantal gasaansluitingen en gasbranders in Sarajevo, waar voor het begin van de oorlog slechts 13.000 huishoudens op het gas waren aangesloten. Sinds 1976 liep in de stad een aansluitprogramma op Russisch aardgas, dat bedoeld was de luchtvervuiling in de stad tegen te gaan, maar slechts zo'n duizend aansluitingen per jaar opleverde. “Onder oorlogsomstandigheden, onder vuur, en zonder veel materialen zijn we er in geslaagd in zes maanden zo'n vierduizend nieuwe aansluitingen tot stand te brengen”, zegt, niet zonder gepaste trots, Vahid Tanovic van het ingenieursbureau EGT (Engineering Gas Technology) in Sarajevo.

Oorspronkelijk een privé-firma met zeven werknemers, heeft het bureau er nu zo'n tweehonderd. Met financiële hulp van het Nederlandse Rode Kruis en het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken, maar zonder materiële vergoeding voor de personeelsleden, is men er in de eerste, thans afgeronde fase van het project in geslaagd zo'n vierduizend huishoudens op het gas aan te sluiten. De lijst van in aanmerking komenden - invaliden, ouderen etc. - omvatte overigens wel 15.000 namen. Er zijn acht gasbranders geïnstalleerd in de voornaamste bakkerij van Sarajevo, waardoor deze niet langer van elektriciteit en olie afhankelijk is. “Als er gas is, zijn er 120.000 broden per dag”, aldus Tanovic. 82 kleinere boilers van de stads- en blokverwarming zijn op gas omgezet, op een totaal van de ongeveer 300 die de stad heeft. Op vijfhonderd plaatsen zijn gaskookinstallaties geplaatst, vooral op plaatsen waar voor collectieven gekookt wordt.

Binnenkort gaat de tweede fase van het project van start, ter waarde van 7,4 miljoen gulden, waarbij voor verwarmingsdoeleinden 34 grote boilers voor de grote flats in het nieuwe deel van Sarajevo moeten worden geplaatst, alsmede twee in de voornaamste ziekenhuizen van Sarajevo.

Niet erg gelukt is het in de eerste fase voorzien ongedaan maken van illegale aansluitingen op het gasnet. Tanovic: “We dachten dat er vijfhonderd illegale aansluitingen zouden zijn, maar het zijn er naar schatting inmiddels al zo'n 50.000. Overal in Sarajevo kun je ze zien, met min of meer verstand in elkaar geflanst, soms van tuinslangen. We houden ons hart vast”.

Een groter probleem is voorshands echter het volkomen ontbreken van gas in de leidingen. Op 18 augustus van dit jaar heeft het sanctiecomité van de Verenigde Naties, schijnbaar zonder enige consultatie met betrokkenen in Sarajevo, besloten dat aan de levering van Russisch gas aan Servië een einde moest komen. In Hongarije, waar de pijpleiding voor Servië en Bosnië-Herzegovina ontspringt aan de hoofdleiding naar West-Europa, werd derhalve de toevoer van 60.000 kubieke meter per uur, teruggebracht met de 50.000 kubieke meter die eertijds voor Servië waren. De wel doorgepompte 10.000 kubieke meter voor Bosnië komen daar echter niet aan, hetgeen doet vermoeden dat Servië deze voor eigen gebruik achterhoudt. “Ik denk dat er weinig anders op zit dan de sancties te breken en de levering aan Servië te hervatten”, meent Tanovic. Over de kwestie vindt thans op hoog niveau overleg plaats.

Terwijl de humanitaire voedselvoorziening via de luchtbrug en de weg gestaag voortgaat, is de kou niet de enige urgentie in Sarajevo. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en andere instanties ter plaatse buigen zich deze week over maatregelen ter beteugeling van een epidemie van hepatitis A. Deze leverinfectie heeft tot nu toe ongeveer 450 à 500 bewoners van Sarajevo geveld. Ofschoon de epidemie zich met tien nieuwe zieken per dag gestabiliseerd lijkt te hebben, is zij niet beteugeld, aldus Jukka Pukkila van de WHO in Sarajevo.

De bestrijding van het fecaal-oraal overgebrachte hepatitis-A is enkele weken al op gang gekomen in de vorm van een door de VN gesponsorde actie tot het weghalen van achttien maanden niet opgehuild huisvuil. Onder bescherming van de vredesmacht UNPROFOR, en soms zelfs door de soldaten van de vredesmacht zelf, zijn al tonnen weggehaald in de frontzones, waar het infectiegevaar het grootst is. In het stadscentrum hoopt het vuil zich op elke hoek echter nog steeds verder op. Het wemelt van de loslopende honden op straat, en in de achterbuurten is op veel plaatsen in de stad sprake van een rattenplaag.

Hepatitis-A, een typische oorlogsziekte, is meestal een teken van veronteiniging van het waterleidingsysteem, alleszins begrijpelijk in een zwaargehavende stad waar in sommige zwaar onder vuur liggende wijken de bewoners hun water soms van verontreinigde bronnen of beekjes betrekken.

Andere maatregelen, aldus dokter Dzelal Serdarevic van de organisatie Artsen zonder Grenzen, betreffen dan ook de verstrekking van chloortabletten voor reiniging van drinkwater, en ook algemene voorlichting over de ziekte, die voor de oorlog in Sarajevo door de kwaliteit van de gezondheidszorg goeddeels was verdwenen. “Dat is in zekere zin het probleem”, vertelt Serdarevic. In andere landen hebben kinderen als ze vijf, zes jaar zijn hepatitis-A, en op die leeftijd is dat ongevaarlijk. Maar hier heeft bijna niemand antistoffen tegen de ziekte opgebouwd.” De maatregelen waarover deze week zal worden beslist, hebben vermoedelijk betrekking op een immunisatie-programma voor bedreigde bevolkingsgroepen.

Als je nagaat dat bijna alle inwoners van Sarajevo in achttien maanden oorlog zo'n tien à 25 kilo aan gewicht hebben verloren, dan moet je vaststellen dat het met hun weerstand tegen ziekten eigenlijk nog wel meevalt, meent dokter Serdarevic. Eerdere vrees voor tyfus is bijvoorbeeld niet bewaarheid.

Artsen zonder Grenzen houdt zich inmiddels al bezig met een trainingsprogramma voor artsen, die zich straks na het beëindigen van de oorlog met een verwachte massaal voorkomen van "posttraumatische stresssyndromen' moeten bezighouden. Te vrezen valt, dat de realisering van dit programma nog op zich laten wachten: het trauma van de oorlog gaat volop door in Bosnië.

    • Raymond van den Boogaard