Paarse coalitie Zuid-Holland houdt stand

In Zuid-Holland heerst al ruim twee jaar een "paarse coalitie'. Sinds de verkiezingen van maart 1991 maken PvdA, VVD, en D66 de dienst uit in het college van Gedeputeerde Staten. Betrokkenen signaleren een cultuuromslag in het bestuur zonder het CDA, weg van de koepelorganisaties uit het maatschappelijk middenveld. Er is beweging in het provinciebestuur gekomen, stellen de coalitepartners tevreden vast.

DEN HAAG, 16 OKT. De traditionele nieuwsjaarsreceptie van de provincie Zuid Holland was dit jaar een stuk minder druk dan voorafgaande jaren. Over het waarom hoeft H. van der Meer, voormalig fractievoorzitter van het CDA in de Provinciale Staten niet lang na te denken. De vaste bezoekers van deze jaarlijkse ontmoetingsborrel, bestuurders van diverse instellingen die banden hebben met de provincie, herkennen zich niet meer in het provinciaal bestuur, meent hij.

Van der Meer is sinds maart van dit jaar burgemeester van de Westlandse gemeente De Lier. Daarvoor kon hij zich tooien met de naam oppositieleider in de provinciale staten. Geen unieke functie, maar wel bijna uniek als het iemand met het CDA-partlijlidmaatschap op zak betreft. In Zuid-Holland is het bestuur van de provincie nu al weer tweeëneenhalf jaar paars gekleurd. PvdA, VVD, en D66 maken er sinds de statenverkiezingen van maart 1991 de dienst uit. Het CDA, tot dan toe in het college van Gedeputeerde Staten met twee gedeputeerden vertegenwoordigd, werd tijdens de provinciale formatie uit het dagelijks bestuur gezet. CDA-gedeputeerde Van der Meer moest zich omscholen tot oppositieleider. Bij het aantreden van het paarse college stelde hij bitter vast dat “de democratie had verloren”. In de doorgaans zo suffe atmosfeer die kenmerkend is voor vergaderingen van Provinciale Staten, werd opeens gepolemiseerd. “Rond het college hangt een sfeer van verontreiniging. Politieke milieuverontreiniging wel te verstaan”, aldus Van der Meer.

Vanachter de collegetafel werden zijn woorden dankbaar genoteerd. Zo had men het bedoeld: in het provinciaal bestuur moest veel politieker worden geöpereerd. Al voor de verkiezingen had PvdA-gedeputeerde Van Heemst geconstateerd dat het “compromissenbestuur” bestaande uit CDA, PvdA en VVD te vergelijken was met een grijze muis. Als na de verkiezingen ook nog D66 tot het college moest worden toegelaten zou het bestuur uitgegroeien tot een “grijze olifant”. “Er zijn grenzen aan een breed college”, stelde hij. Vandaar dat de PvdA al voor de verkiezingen liet weten een college te willen vormen op basis van hooguit drie partijen. Voorts sprak de PvdA toen al uit D66, de te verwachten winnaar van ook die verkiezingen, te beschouwen als bondgenoot.

Het ging in Zuid-Holland in eerste instantie om het vormen van een politiek dagelijks bestuur dat zou "regeren' op basis van een programma. Het werd het eerste provinciale paarse bestuur, een ontwikkeling die vanuit de landelijke partijbureaus van PvdA en CDA met argwaan werd bekeken. De broze nationale rooms-rode coalitie was eigenlijk niet gebaat bij dit soort gewaagde experimenten. Maar uit het provinciehuis in Den Haag klonken sussende woorden: “We beogen geen signaal te geven aan de landelijke politiek”, zei PvdA-fractievoorzitter J.A. Peeters.

Over de totstandkoming van de paarse combinatie lopen ruim twee jaar na dato de meningen nog steeds uiteen. Vast staat dat het aanvankelijk weinig met principes en alles met machtsbehoud had te maken. De PvdA ging bij de Statenverkiezingen fors terug van 29 naar 18 zetels, maar had na de formatiestrijd nog drie van de vier gedeputeerden over. De VVD behield zijn twee dagelijkse bestuurders en nieuwkomer D66 (van zes naar 15 zetels opgeklommen) kreeg eveneens twee gedeputeerden. Het CDA kon VVD en D66 geen aantrekkelijker bod doen dan de PvdA. Bovendien was het CDA met 23 zetels wel erg veel groter dan D66 en VVD. Ook dat speelde een rol bij de uiteindelijke keuze van beide "junior-partners' voor de PvdA, de kleinste senior-partner.

De Zuidhollandse "paarse lente' houdt stand. Geen van de drie coalitiepartners heeft spijt. Zelfs wordt al gefluisterd over voortzetting van het verstandshuwelijk na de Statenverkiezingen van 1995. Maar is er nu werkelijk iets veranderd? Ja, zeggen alle betrokkenen. Maar of dit nu te maken heeft met de vorming van een programcollege, dan wel met het uitsluiten van het CDA, daarover lopen de meningen uiteen. Het één houdt wel verband met het ander. De natuurlijke bestuurders instelling van het CDA maakt nu eenmaal dat deze partij het minst te porren is voor programcolleges. Tegelijk is dit volgens de anderen één van de oorzaken van de stroperigheid van het bestuur. “Er was irritatie over de bestuurlijke houding van het CDA. In het college wist je nooit precies welke richting ze op zouden gaan”, aldus VVD-fractievoorzitter H.B. van der Goot. Hij beschouwt de paarse coalitie als “verfrissend” en vindt dat het “bestuur meer praktijk gericht is en verzakelijkt”. Zijn collega-fractievoorzitter M. Terwiel van D66: “Er is zeker sprake van een scherper en duidelijker beleid.”

Jaarlijks heeft Zuid-Holland, met 3,2 miljoen inwoners de dichtstbevolkte provincie van het land, zo'n 1,25 miljard gulden te besteden. Het bedrag dat niet vastligt en waarmee politici kunnen "spelen', bedraagt jaarlijks zo'n 250 miljoen gulden. Het gaat op aan welzijn, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, milieu, natuur en landschap en recreatie. De kern van het programakkoord van PvdA, VVD en D66 is een verdere decentralisatie van de middelen naar de gemeenten, iets dat vooral in de sector welzijn speelt en het maatschappelijk middenveld in de kern raakt. Terwijl het CDA het geld altijd wilde doorsluizen naar de koepelorganisaties, heeft het nieuwe college besloten het zoveel mogelijk rechtstreeks over te maken naar de belanghebbenden. Het heeft ertoe geleid dat het systeem van "ponds-ponds gewijze subsidietoedeling' is veranderd. Niet langer kunnen alle tachtig zangkoren in de provincie rekenen op subsidie. “De vanzelfsprekendheid van allerlei regelingen is weg. Dat vind ik de echte winst”, zegt D66-fractievoorzitster Terwiel.

Allemaal gezochte argumenten, meent CDA'er Van der Meer. Volgens hem wilde juist het CDA bestuurlijke veranderingen tot stand brengen. Hoe het dan zit met de banden met het middenveld? “Wij luisteren naar het middenveld. Eén van de kenmerken van de politiek is dat je luistert.”

Dan maar naar het middenveld zelf. Het van oorsprong protestants-christelijk verzorgings -en verpleegtehuis Francois Haverschmidt in Schiedam is voor subsidies afhankelijk van de provincie. Liepen de contacten vroeger via de bestuurders van de Nederlandse Protestantenbond, die ook weer vertegenwoordigd waren in het bestuur van het tehuis, nu hebben directie en provincie veel meer direct contact.

Bij het Provinciaal Overleg Welzijn, een overkoepelende organisatie van welzijninstellingen, wordt eveneens een andere opstelling vanuit Gedeputeerde Staten bespeurd. “Met het vorige college hadden we veel meer overleg, dat verloopt nu moeizamer. Je merkt dat men liever rechtstreeks zaken met gemeenten doet”, aldus vice-voorzitter J. Josten.

Ook hij proeft bij de subsidieverstrekking minder voorspelbaarheid en meer pragmatiek. Hoewel het volgens hem ook niet moet worden overdreven. Het CDA had zeker vanwege zijn relaties met het middenveld duidelijke voorkeuren en prioriteiten. “De molens en de bibliotheken deden het altijd erg goed bij het CDA.” Maar nu een D66-gedeputeerde aan de subsidiekraan zit, is het beeld niet compleet veranderd, meent hij. “De prioriteiten die nu worden gesteld zijn erg diffuus. Ik heb het gevoel dat men geen al te grote conflicten wil. Het is evident dat het CDA contacten heeft in de brede welzijnssector. Maar je moet niet denken dat met het CDA in de oppositie de machtspositie geheel weg is. Die partij heeft nu het middenveld als rugdekking.”

Hoe heeft het groene front de verwijdering van het CDA uit het dagelijks bestuur van de provincie ervaren? Akkerbouw versus recreatiegrond is een traditioneel conflictpunt in de provincie. Bij de groeikern Zoetermeer zou ten behoeve van de aanleg van het bos Bentwoud 2.100 hectare akkerbouwgrond plaats moeten maken voor bos: Zuid-Holland heeft behoefte aan een "extra long'. Bieten leveren meer zuurstof dan bos, zeggen de boeren op hun beurt die voor dat standpunt gehoor hebben gevonden bij hun natuurlijke bondgenoot het CDA. Het CDA vindt een bos van 1.000 hectare voldoende. C.J. Overkleeft, voorzitter van de Centrale Boeren en Tuindersbond afdeling West, meent dat de contacten met het CDA niet zijn veranderd, sinds de partij in de oppositie zit, maar wel het effect van het contact. “Ik mis de signaalfunctie vanuit Gedeputeerde Staten. Vroeger kreeg je vaker te horen: let daar eens op. En die allereerste lijnen zijn toch het belangrijkste. Voor ons is het CDA altijd de partij geweest die met ons meedacht.” Niet dat alle lijnen met de provincie nu zijn doorgeknipt. De ambtenaren bij wie een routinier als Overkleeft kan binnenlopen zijn immers gebleven. “Nota's worden geschreven door ambtenaren. Het is belangrijk om tijdens dat produktieproces al invloed te hebben”, zegt hij.

L. Blok is de D66-gedeputeerde die met de portefeuile "landinrichting, agrarische zaken en natuur' veel contact heeft met de boeren. In het begin voelde ze de weerstand duidelijk: “Ik was nieuw, vrouw en van een partij die ze niet kenden.” CDA-gedeputeerden uit de overige Randstadprovincies weigerden met haar te praten. De contacten met de boeren uit de eigen provincie zijn zakelijk en de groene lobby komt nu in het college van gedeputeerden tot haar via de VVD.

Dat laatste is een verschijnsel dat alle betrokkenen hebben waargenomen. Met het verdwijnen van het CDA als dè vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld is het middenveld niet verdwenen. Allereerst manifesteerde het middenveld op "algemene grondslag' zich meer. Daarna stortte het totale middenveld zich op de nieuwe subsidieverstrekkers, om vervolgens te merken dat de provincie minder zelf verdeelde. Er is een heleboel beweging in het bestuur gekomen, constateren de drie coalitiepartners. Ze zien dit allemaal als het grote winstpunt van "hun' college. D66-fractievoorzitter Terwiel: “De bestuurscultuur was in opspraak. Dan krijg je vanzelf een rechtvaardiging voor een paarse coalitie.”