OOSTERSCHELDE

In het artikel "Stevige zandbodem werd een slappe modderbodem' in NRC Handelsblad van 9 oktober stelt fysisch geograaf drs. W.B.M. ten Brinke dat het dierlijk leven op de dijkglooiingen van de Oosterschelde goeddeels is verdwenen.

Dit zou met name in het oostelijk deel het geval zijn. Verder wordt over de mosselkweek opgemerkt dat er kweekplaatsen zijn waar de mosselen in de modder wegzakken en stikken. Dit alles zou het gevolg zijn van een veranderende slibbalans.

Het is juist dat de slibbalans van de Oosterschelde is veranderd, zoals overtuigend wordt aangegeven in het proefschrift van Ten Brinke. Het is echter in strijd met de feiten dat het dierlijk leven op de dijkglooiingen, en ook elders, is achteruitgegaan na gereedkomen van de Oosterscheldkering. Elke sportduiker kan uit eigen waarneming bevestigen dat de beroemde rotsfauna van de Oosterschelde uitstekend gedijt in de huidige omstandigheden. Het is daarbij zo dat de soortenrijkdom toeneemt in oostelijke richting, samenhangend met het toegenomen zoutgehalte. Ook is er de laatste jaren een uitbundige ontwikkeling van brokkelsterren opgetreden als gevolg van de relatief zachte winters.

Bij de mosselkweek zijn er allerlei factoren die lokaal tot sterfte kunnen leiden, zoals vraat door zeesterren, concurrentie om voedsel door de hoge zaaidichtheid enzovoorts.

In de uitgebreide beschrijving van het Oosterscheldemilieu na de kering, getiteld "Veilig getij' (uitgave Rijkswaterstaat, 1991), is geconstateerd dat de Oosterschelde nog steeds een hoog-produktieve zeearm is met een uitstekende waterkwaliteit, een voor het gebied kenmerkende natuur en goede mogelijkheden voor de visserij.

    • Drs. A.C. Smaal
    • Rijkswaterstaat Dienst Getijdewateren