Onderweg (slot)

Dit weekend (Amerikaans woord voor weekeinde) logeerden we bij oude vrienden in het luxe oord Sedona, een stukje onder Flagstaff (route 66) Arizona. In Sedona wonen geen mensen die werken. Dat kan niet, want het is overal te ver vandaan. In Flagstaff zijn geen grote kantoren gevestigd, er is geen industrie, dus daar kun je niet heen. Je moet dus geld hebben of eventueel je brood verdienen met kunstwerken of schrijven, of per computer zware deals doen. Ik zeg zwaar, omdat het wonen in Sedona niet goedkoop is.

God schiep de Grand Canyon, maar hij woont in Sedona, is de slogan hier. Dure huizen, met nog veel duurdere tuinen, naast de allerduurste golfcourses. Dit laatste is een must. Je kunt in Amerika niet een miljoen voor een huis vragen, tenzij het op vijf minuten rijden van een golfcourse ligt. Lopen hoeft niet, want dat doe je op de golfcourse ook niet: je rijdt met je elektrische karretje achter de bal aan, slaat er tegen, en hup, weer voort in je karretje. Er zijn zelfs golfcourses waar je niet mág lopen. Onderweg fluister je, behalve om hi te zeggen tegen iemand die je kent en dat is in Sedona iedereen, want er zijn verschillende golfcourses en de duurste heeft maar twintig leden. ""Hi Ed, how you're doing today?” “Fine Grace, how's yourself?” En meestal is Grace ook fine.

Zo merk je waar het golf hier voor is: om de verveling te verdrijven en om een onderwerp van gesprek te hebben. Hele rijke Amerikanen die hun slag geslagen hebben proberen, hoe dik ze ook zijn, de nieuwe slag op de golfcourse.

Er staan veel kerken in Sedona, een stuk of twintig, want je hebt er natuurlijk geen familie en je kerk vangt dat hiaat op. Je kunt er natuurlijk lekker eten en het winkelen gebeurt in een aparte mall, juist die mall waar de toeristen niet komen.

Wat is er dan zo geweldig aan Sedona, hoor ik u denken.

Het uitzicht. Het uitzicht is adembenemend mooi. Rode rotsen, tegenover groene bossen. Majestueus. Elk voorjaar, zegt onze gastvrouw, roepen de bomen: ""Groen!'' En dan roepen de rotsen: ""Rood!'' terug. De rotsen winnen meestal.

's Winters ligt er wel vijf dagen lang sneeuw, maar voor de rest van de tijd is het aangenaam en zonnig weder. Iedereen kijkt dus uit op de rode rotsen die allemaal namen hebben. De vinger, de klok, de kathedraal (plus raam) en de sfinx. De Amerikanen geven graag namen aan dingen. We reden over een beekje en dat heet Red Tank Creek, omdat er even verderop een stuk steen te zien is dat een beetje op een Sherman-tank lijkt. Maar dan rood natuurlijk.

Bij de Montezuma Well (ik vergat te vertellen dat Montezuma hier ook een bekende naam is. De goede man is hier echter nooit geweest, niet eens in de buurt, om precies te zijn. Montezuma bereikte nooit de huidige VS, maar alles heet Montezuma, Castle, creek, mountain, you name it) bij de Montezuma Well is een eekhoorn die zo ijdel poseert dat ik er zeker van ben dat hij een kammetje op zak heeft. Hij blijft een meter van je af peuzelen, draaien en schalks kijken. Hij is ook erg goed in de over-the-shoulder-look.

Iedereen hier wijst je op het natuurschoon. Wijzen de mensen niet, dan zijn er wel grote borden om je op alles opmerkzaam te maken. Het is er mooi en dat zul je weten ook, want meer is er niet. Goed, je kunt geweldig eten in het Hilltop restaurant, in Enchantment, met een echte nicht als ober, maar dat is het dan zo'n beetje. Oh ja, ze hebben ook een Luxemburgse bakker met een Mexicaanse naam. We vroegen hem of hij veel klandizie had, omdat we al twee weken geleden hadden onder het papbrood dat hier geserveerd wordt. ""Nee,'' zei hij, ""je moet je voorstellen dat Amerikanen die 50 jaar lang watten hebben gegeten, niet ineens denken: hé, dat Luxemburgse brood, dát is lekker zeg.''

De vrouw des huizes, die niet golft, maar er wel wandelt, vindt tientallen golfballen op de golfcourse, die ze meeneemt voor haar man (ze is dus Hollands). Ze heeft ons uitgelegd dat Amerikanen niet echt naar ballen zoeken. Niet omdat ze zo onmetelijk rijk zijn, maar omdat ze bang zijn van de baan af te gaan en de bosjes in. Daar zijn misschien wel beren, coyote's, slangen, mieren of spinnen - en daar zijn alle Amerikanen als de dood voor.

Wij waren er op het hoogtepunt van het jaar, het weekeind voor Columbus Day, die een dag eerder gevierd wordt dan Columbus landde. Het Arts Festival zou bij ons braderie heten. Wij werden meegetroond naar een galerie die beelden toonde. Daar stonden dingen die in het gunstigste geval nog het meest leken op de reus die te zien is in het Amsterdams Historisch Museum. In alle andere gevallen deden ze denken aan kunst van het Derde Rijk. Fascistoïde beelden van indiaanse goden of drie blote indianen die elkaar vasthouden terwijl ze pijlen afschieten, dit gemengd met cartoonachtige art, motorfiets-art en airbrush-art. Een paar stukken waren ontsnapt aan die trend, en die leken dan weer op de 1914-'18-beelden die we in elk Frans dorpje zien.

Als u niks te doen heeft kunt u daar gaan wonen of op zijn minst kijken. Ze hebben veel rode rotsen. Altijd, elke dag.